Gemeenschap in ontwikkeling

A research on relational practices in the co-creation
of flourishing futures in a communal context.

een actie-onderzoek rond gemeenschapsontwikkeling binnen de gemeente Peel en Maas

Drs Bert Verleysen
PhD-student aan UHasselt
zomer 2016

Promotor: Prof. Dr Frank Lambrechts, UHasselt
Copromotoren: Dr. Styn Grieten, KULeuven en prof. em. René Bouwen, KULeuven

Vooraf

Voorliggend memorandum is een opstap naar een actieonderzoek rond gemeenschapsontwikkeling: “… wat er mogelijk wordt als in een samenleving bewoners, naast praten met een overheid, vooral gaan praten met elkaar” (Verleysen, van der Coelen, & Schmitz, 2016). Het is een begin van een wetenschappelijk verhaal over samen toekomst bouwen, waarbij én actie én onderzoek in een voortdurende wisselwerking bouwen aan die samenleving.

Deze tekst is geschreven op basis van onder andere een interview met Geert Schmitz en Wil van der Coelen (voor citaten wordt gerefereerd naar Verleysen et al., 2016). Geert en Wil zijn verbonden aan de gemeente Peel en Maas en zitten op de eerste rij bij dit onderzoekend samenleving bouwen. De voorliggende pagina’s zijn de bakens voor dit onderzoek met (a) een kennismaking met het verhaal van zelfsturing in de gemeente Peel en Maas, (b) een verfijning van de eigenlijke onderzoeksvragen op niveau van het actieonderzoek binnen deze gemeente.

Het geheel is een uitnodiging aan de lezer om me te denken in dit onderzoek. Voel je uitgenodigd als tochtgenoot  in deze boeiende onderneming. Jouw bijdrage geeft dit project de kleur die het geheel alleen maar rijker kan maken.

de aanloop naar dit onderzoek

In dit onderzoek zijn geen onderzoekers die objectieve meetinstrumenten hanteren om de samenleving in kaart brengen. Ook geen subjecten of objecten die vanaf de zijlijn met een vergrootglas bekeken en onderzocht worden. In dit verhaal zijn er alleen betrokkenen die samen stappen in een ontdekkingstocht (“tracking”) naar het beste bij de tochtgenoten en hun leefcontext om dit dan te versterken (“fanning”) richting co-creatie van een bloeiende toekomst (tracking en fanning zijn begrippen van Bushe, 2010). Dit actieonderzoek vormt een onderdeel van het promotieonderzoek aan Universiteit Hasselt.

Medio 2016 vierde ik mijn 65ste verjaardag. Een paar jaar eerder stopte ik met een actieve (lees betaalde) baan om dingen te doen die ik graag doe: (a) mijn studie afwerken en (b) aan de slag gaan met een passie uit de periode van de mei-revolte 1968, opkomen voor een andere samenleving. Eenzelfde drang tot engagement, maar nu ingebed in een wetenschappelijke geïnspireerd verhaal. Niet langer in de contestatiesfeer van weleer, maar wel vanuit een vernieuwd denkkader, actief onderzoekend naar de taal voor een politieke uitnodiging tot een brede co-creatie.

Tussen mei 1968 en vandaag ligt een heel verhaal. Ik ben altijd geboeid geweest door menselijke relaties, vooral in werkcontexten. Vanuit mijn bekommernis om medewerkers een goede werkervaring te bezorgen, startte ik in 2006 met de BAMA-opleiding Arbeids- en Organisatie Psychologie aan de Open Universiteit. Bij mijn allereerste schrijfopdracht was ik enorm gecharmeerd door de “broaden and build”-theorie van Fredrickson (2001). Met deze inspiratie op zak mocht ik in 2009 aanwezig zijn op de eerste World Conference on Positive Psychology in Philadelphia. Een enorme ervaring om oog in oog te staan met enkele belangrijke hedendaagse psychologen zoals: Martin Seligman, Mihaly Csikszentmihaly, Ed Diener en anderen. Maar daar was ook David Cooperrider. De man van Appreciative Inquiry (Cooperrider & Srivastva, 1987). Deze ontmoeting opende voor mij een deur, het begin van een boeiend onderzoekstraject, a never-ending-story.

De inspiratie voor mijn bacheloronderzoek vond ik in de motivationele hoek, meer bepaald de Self Determination Theory (SDT; Gagné & Deci, 2005). Met dit onderzoek keek ik naar de ervaringen van de individuele medewerker in een organisatie (Verleysen, Lambrechts, & Van Acker, 2015). In mijn masteronderzoek bestudeerde ik de vitaliteit van medewerkers in bloeiende organisaties (Verleysen, Van Acker, & Van Dam, 2014). De ervaring van een masterdiploma te halen op latere leeftijd maakte de onderzoeker in mij wakker. De aanmoedigingen –fanning- van docenten en een brede erkenning van mijn onderzoek versterkte dit alleen maar. De combinatie van mijn jongste werkervaring bij Stebo in Genk, de verschillende ontmoetingen uit dezelfde periode en de inzichten vanuit mijn eigen onderzoeken zorgden voor een nieuw leven rond die oude passie uit 1968 of zoals Geert Schmitz omschrijft in het interview: “…eigenlijk is ook de hoop dat we ooit vanuit het collectieve denken werk en economie inrichten, een totaal andere samenleving …” (Verleysen et al., 2016).

De gemeente Peel en Maas werkt reeds jaren aan de co-creatie van dat nieuwe samen leven (Custers, 2012), vanuit de houding zoals Wil verwoordt: “Als je het volk aan de gang wil krijgen moet je  het volk ook aan de gang laten.” (Verleysen et al., 2016). Met de instap in dit verhaal krijgt mijn PhD-onderzoek een nieuwe dimensie als een inspiratiebron voor een fundamenteel ander politieke cultuur vandaag. Zo is de cirkel rond: de mei-revolte van 1968 en de uitdagingen van vandaag, ruim 50 jaar later: van flower power naar flourishing futures.

 

een onderzoek in een veranderende leefomgeving

De hedendaagse leefcontext is wereldwijd meer dan ooit in een veranderingsmodus. Blijkbaar was het 40 jaar geleden niet anders: “… our organizations live in economic, political, and technological environments which are predictable unstable” (Argyris & Schön, 1978). De focus lag toen op onze organisaties, nu duidelijk op de hele samenleving.

De veranderingen van vandaag betekenen eigenlijk een transitie naar een nieuwe leefcontext. Wil verwoordt dit als volgt: “De periode van de jaren 70 kende een heel optimistische tijdsgeest, met een hoge mate voor solidariteit; waarden die tussen de jaren 70 en nu verdwenen zijn, maar stilaan terugkomen” (Verleysen et al., 2016). Vandaag rapporteren heel wat auteurs over lokale initiatieven in onze leefomgevingen en organisaties, succesvolle transitie initiatieven en veranderingstrajecten, geslaagde burgerinitiatieven met deeleconomie en ruilhandel, bottom-up veranderingsbewegingen en alternatieve maatschappelijke projecten (Bouwen, 2010; Cooperrider, Whitney, & Stavros, 2005; Eggermont, 2015; Hens, 2015; McDonough & Braungart, 2013; Verleysen et al., 2015). “Er borrelt wat in de onderbuik van de samenleving … het gonst van verrassende ideeën en van structurele oplossingen” (Eggermont, 2015, p. 123). Zijn dit tekenen van de catagenese, de klim naar een nieuwe toekomst (Homer-Dixon, 2006)?

Of zoals Holslag (2015) beschrijft: “Heel Europa staat voor de noodzakelijke omslag naar een nieuw samenlevingsmodel” (p. 110). Hierbij is het grote besef dat de mens een toekomstzoeker is en zo het kantelpunt vormt (O. Wilson in McDonough & Braungart, 2013). We hoeven de verandering niet te ondergaan! Op een godvergeten eiland ondergaat Robinson Crusoë zijn lot ook niet. Hij kiest actief voor een toekomst zodat er niet alleen met Vrijdag maar op alle dagen leven zal zijn. Een echte toekomst genereren, doen wij op basis van één uitdaging: “Dat doen waar we zelf beter van worden, waar we zoveel mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen voor een zo lang mogelijke tijd mee scheppen” (Holslag, 2015, p. 110).

De opdracht is duidelijk: “ … die samenleving terug in elkaar knutselen” (Schmitz, 2013, p. 7). De noodzakelijke kennis voor “de ontwikkeling van de maatschappij steunt op de zelfstuurders” (Cornelis, 1999, p. 7). Of zoals Custers en Schmitz (2012) het verwoorden: ”Zelfsturing zou je dus ook kunnen omschrijven als het proces waarin burgers als vaklui werken aan de ontwikkeling van de samenleving” (p. 27).

Tegen deze achtergrond situeert volgens Geert de uitdaging van dit onderzoekstraject: “Nu zitten we in een fase waarbij vanuit collectieve zelfsturing een nieuwe ruimte voor discours ontstaat die de  aansturing van maatschappelijke organisaties handen en voeten geven” (Verleysen et al., 2016). Dit onderzoek exploreert taal en relationele praktijken die een gemeenschap-onderweg vooruithelpen: “Wat bij bewoners zorgt dat er iets gebeurt en hoe de overheid daarmee kan omgaan” (Verleysen et al., 2016). En hierbij is het moto vooral: “Laat die bloem buiten bloeien, laat die gemeenschap schitteren, en zet jezelf niet op de kaart” (Verleysen et al., 2016).

 

Peel en Maas

Peel en Maas is een gemeente in Nederlands Limburg, ontstaan in 2010 uit een fusie van Helden (Beringe, Egchel, Grashoek, Helden, Koningslust, Panningen), Kessel (Kessel en Kessel‑Eik), Meijel en Maasbree (Barlo en Maasbree). Peel en Maas is 161 km² groot en telt vandaag 43.3016 inwoners (CBS). De naam Peel verwijst naar het Hoogveengebied en Maas naar het Maasland. De naam voor de fusiegemeente werd gekozen na een breed overleg met de inwoners, waarbij iedereen vanaf 14 jaar (!) kon aan deelnemen.

 

De werkkernen: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing

Binnen Peel en Maas staan drie werkkernen centraal: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing.

Voor de fusie kende Helden al heel wat ervaring rond beleid vanuit zelfsturing: “Hierbij was de aandacht vooral voor ‘ga in gesprek met je buren’, wat een heel sterke boost gaf aan de identiteit van de kernen. …er kwam een gesprek op gang om een eigen plan voor het dorp te ontwikkelen … een definitief keerpunt in de relatie tussen overheid en burger” (Geert in Verleysen et al., 2016). Na de fusie werden deze ideeën verder uitgerold over de hele fusiegemeente. In een folder van juni 2011 staat: “… als buren en dorpsgenoten of wijkbewoners vormen we een divers en gemengde gezelschap. … wat we allemaal gemeenschappelijk hebben, is dat we graag willen dat onze omgeving leefbaar is … daar hebben we in principe geen overheid of maatschappelijke organisaties bij nodig. Samen werken aan een leefbare buurt … Dat is de kern van zelfsturing: samen zelf doen” (Custers & Schmitz, 2012, p. 12).

 

de wereld waarin de onderstroom ontstaat

De drang om een gemeentelijk beleid meer te ontwikkelen vanuit zelfsturing drijft op een belangrijke onderstroom in de samenleving. Deze onderstroom ontstaat her en der als een beweging, weg van het overheersende paradigma, weg van een aantal vanzelfsprekendheden, weg van de “samenloosheid van het collectieve” (Geert in Verleysen et al., 2016). Zonder de bedoeling om volledig te zijn en zonder breed uit te werken, volgen hier enkele van die vanzelfsprekendheden die belangrijk zijn om de transitie te kaderen.

Het westers denkkader is beheerst door een klassieke wetenschappelijk patroon, in lijn met het berekenbaar Copernicaans wereldbeeld. Aan de basis ligt de opdeling van de leefomgeving in “facts” en “non-facts”, waarbij enkel de facts als keiharde feiten gelden (Karl R. Popper in Cornelis, 1999). Hierbij past een rechtlijnige logica  van oorzaak en gevolg. Met een loupe voor die facts en hun onderlinge relaties verklaren wetenschappers niet alleen de bewegingen in het heelal, maar voorspellen meteorologen ook het weer van morgen en vooral, projecteren economisten een rechtlijnig groeimodel voor de wereld overmorgen. Alles wat gebeurt is te verklaren en de toekomst is gekend met een 95% statistische zekerheid. Deze manier van kijken is diep verankerd in (wetenschappelijke) opleidingen met een training in systematische observatie van facts om hun onderlinge relaties te begrijpen (Gergen, 1978). Meer nog, dit logisch denkpatroon lijkt overduidelijk succesvol en efficiënt, tenminste in sectoren waar een rechtlijnig 1+1=2 denkpatroon er toe doet. Overigens, dit op-rekenkunde-gebaseerd wereldbeeld is bijna de enige manier om te kijken naar elk domein van de samenleving, zelfs naar de sociaal-maatschappelijk context waarin burgers zich dagelijks bewegen. Deze gedachten zijn het fundament van een business logica, ook binnen een gemeentelijke context: “het beleid heel sterk is gewend aan de dominantie van het geld en ratio van de business”.

Met dit rechtlijnig denken ontstaat ook de drang om alles volgens dit succesvolle denkpatroon centraal aan te sturen. Een blueprint voor de hele gemeenschap waarbij structuren en processen duidelijk beschreven zijn en waarbij de uitkomst voorspelbaar is. Hierbij is dan ook geen ruimte voor andere wegen. Er is slechts ruimte voor één duidelijk plan, volgens één rechtlijnig stroomschema en met voorspelbaar succes. Hierbij hoort ook één duidelijke communicatielijn van boven naar beneden, een communicatie die in een beleidscontext vooral gaat over wat er gedaan wordt. Hier en daar sijpelt dan toch wat door over participatie, maar dan vooral in de sfeer van dezelfde commerciële economie: “geef die andere nu toch het gevoel dat wat hij van jou krijgt, hij eigenlijk ook zelf echt wilde”. Of nog, de periode van de hoorzittingen, het beleid sprak en het volk hoorde. “Het college ging dan naar bijeenkomsten. Zij zaten dan vooraan, en het volk zat in de zaal. En met politieke vriendjes sprak men af wat de vragen waren en wat de antwoorden. De inspraak was er”  (Verleysen et al., 2016). Een typische anekdote uit een Vlaamse gemeente: Op een avond was er in een deelgemeente een zware brand in een oud winkelpand, waar heel wat appartementen bij betrokken waren. Al de bewoners werden geëvacueerd naar een nabijgelegen sporthal. Omwonende buren en zelfstandigen uit het dorp planden een oproep om voedsel en zo te verzamelen om die mensen de avond te laten doorbrengen. Tot de burgemeester zei: “Nee, dat hoeven jullie niet te doen. Ik zal het wel organiseren!” Er was geen ruimte voor een spontane en onvoorspelbare actie vanuit de gemeenschap.

Parallel met dit denkpatroon wortelt zich een ander idee in de samenleving: de suprematie van het individu. Vanaf de wieg krijgen de kleine mensjes de boodschap om op te groeien en het beste in zichzelf boven te halen: “The meaning of one’s life … is to become one’s own person, almost to give birth to oneself” (Robert Bellah in Gergen, 2009, p. 8). Dit is ook vaak een constante binnen een gemeentelijk beleid, waarbij het geheel afgestemd wordt op het individu: “De individualisering wordt op alle terreinen doorgezet. De solidariteit wordt verkwanselt omwille van die individualiteit. Die taal zit in onze democratische organen” (Verleysen et al., 2016). In diezelfde context schrijft Gergen (2009): “Political activity is not so much concerned with achieving the public good as ensuring that ‘my party wins’. When ‘me first’ is an unquestioned reflex, political gridlock should be no surprise. More unsettling are the effects of believing one is superior to others” (p. 12).

Die centrale aansturing en de individualisering zorgen voor een doorgedreven cliëntelisme binnen gemeentelijke diensten en de bijbehorende maatschappelijk organisaties. Beleidsmakers werken aan de dienstverlening voor burgers vanuit een begroting technisch correct business case, waarbij de gebruiker de klant is. “De overheid ontwikkeld zich steeds meer als een C&A of een V&D, waarbij men in competitie gaat inzake dienstverlening” (Wil in Verleysen et al., 2016). Dit is een gevolg van het doorsudderen van de dominante logica. “De nationale overheid strooit die logica met geweld naar beneden. In die zin is populisme geen exclusief van een partij, maar een vertaling hoe het bestuur in deze tijd van neo-liberalisme functioneert. De individualisering wordt op alle terreinen doorgezet” (Verleysen et al., 2016).

Dit individualisme zorgt verder voor een uitholling en afvlakking van de ideeën rond rechtvaardigheid en gelijkheid. Hierdoor verwordt het eenzijdige recht-hebben-op tot een belangrijke maatstaf voor menselijk handelen. Het gevolg is een opgeklopt claimgedrag: “dan ga je claimen, als je ziet dat een ander iets krijgt dan ga je dat ook claimen. Dat claimgedrag leidde er toe dat men steeds verder gaat in een politiek verhaal” (Verleysen et al., 2016).

Er zijn heel wat aanwijzingen in de samenleving dat dit verhaal niet langer kan. Het lukt niet meer en de voorspellingen kloppen niet zoals uitgerekend. Met de begrotingstekorten op alle beleidsniveaus komt een einde aan het verhaal dat de overheid alles in een samenleving moet organiseren en financieren. Met de snelheid van social media zorgen wiki- en andere leaks tot een nooit geziene vraag om transparantie in het beleid. Ook politiekers zitten gewrongen in een spagaat tussen hun politieke rol en hun persoonlijke aanwezigheid in een dorpsgemeenschap: “Zij werden misbruikt als raadslid en niet gewaardeerd als buurvrouw. ‘Wat jij moet doen is tegen de mensen in het dorp zeggen, als jij me nu nog benadert als raadslid en niet als buurvrouw doe ik niet meer mee!’. Door te eisen van de medebewoners om hen te benaderen als ‘buren’ en niet meer als ‘raadslid’ was hun positie veel relaxter. In plaats dat ze constant met een claim weg moesten, waarbij het maar de vraag was of het ging lukken, waren deze personen nu gewoonweg deelgenoot van het gesprek” (Geert in Verleysen et al., 2016). Ook ambtenaren zitten tussen hamer en aambeeld: regelgeving afdwingen en de onvrede van burgers opvangen: “… ook in de manier waarop men functioneert zodat men managers tegenkomt die begrijpen wat er gebeurt. Een manager denkt vanuit het business logica, vanuit het cognitieve, maar hij moet de sociale logica ook begrijpen. En zolang dat niet kan, worden de tussenpersonen tussen beleid en volk steeds afgerekend” (Geert in Verleysen et al., 2016).  Burnout en ander ziekteverzuim zijn tekenen dat het fout zit.

Gelukkig ontstaan langsheen dit verhaal nieuwe en verrassende lokale initiatieven. Deze onderstroom meandert breed in de samenleving: op vlak van ondernemen en handeldrijven, van wonen en zorgverlening in buurten, van kleine lokale burger initiatieven. Hierbij ontstaan vooral empathische verbindingen tussen mensen die samen iets willen doen in een diep respect voor de leefomgeving en gebaseerd op delen. Deze beweging betekent een verschuiving van een samenleving vanuit een klassieke business case, naar een samen leven gebaseerd op een value case … een waardenontwikkeling vanuit sociaal constructionisme en een sociale logica (Schmitz, 2015; Verleysen et al., 2016).

 

de gemeentelijke context

De gemeentelijke context is een complex verhaal van overheid en burgers: “Maar het belangrijkste was dat evenwicht, die verhouding, tussen de overheid en dat volk. Waarbij dat volk goed wist waar de overheid van was en de overheid goed wist waar het volk van was. Wederzijds een heel respectvol evenwicht tussen overheid en het volk” (Verleysen et al., 2016).

De relatie burger en overheid loopt over twee domeinen, het publieke en het openbare, met bijbehorende types van belangen en communicatie (Schmitz, van der Coelen, Ahaus, Hersevoort, & van de Wetering, 2008). In het globaal plaatje onderscheid men vier types, waarbij het beleid en de relatie overheid-burger op een eigen manier wordt ingevuld:

Type 1 en 2 vinden plaats in het openbare domein, beheerst vanuit een leefwereldperspectief. Hier vormen burgers met elkaar gemeenschap. Zelfsturing staat centraal hierbij en de communicatie is gericht om consensus.

  • 1= de gemeenschap
  • 2 = de gemeenschap met ondersteuning van de overheid

Type 3 en 4 vormen het publieke domein, het domein van de overheid. Dit domein wordt georganiseerd vanuit een interactief bestuur met betrokkenheid van de burger. De communicatie is hier gericht op resultaat:

  • 3 = de overheid die de burger betrekt bij haar beleid
  • 4= de overheid die een aantal zaken zelf doet.

Deze vier types kunnen ook begrepen worden vanuit de kleuren in de waardensystemen van Graves (Schmitz et al., 2008; Van Marrewijk, 2009): “Het blauwe waardensysteem gericht op orde, stabiliteit, discipline, procedures, regels en structuur; het oranje waardensysteem gericht op ondernemerschap, mogelijkheden, succes en presteren; het gele, groene en turkoois waardensysteem gericht op consensus, dialoog, synergie, flexibiliteit en heelheid. Een vitale zelfsturende gemeenschap is het traditionele blauwe en oranje waardensysteem ontstegen” (Schmitz et al., 2008, p. 49).

In een gemeentelijke context zijn de verschillende waardensystemen tegelijkertijd aanwezig. De uitdaging is echter om binnen dit waardensystemen de verschillende sectoren met elkaar te laten communiceren, zonder dat de logica van een systeem dominant is op het andere systeem. De uitdaging zal bestaan om een collectieve taal te ontwikkelen: “De logica van dat samenleven van die gemeenschap is een eigen logica die zichzelf in stand houd. Met de catharsis en de communicatieve zelfsturing gaat die logica zich nog versterken  zonder dat die gemeenschap last heeft van hele domme vragen zoals ‘helpen we wel diegene die het nodig hebben’, ‘doet iedereen mee’. Dit zijn dan de hele  typische vragen vanuit het perspectief van de overheid. We zijn ogenblikkelijk gewend om vanuit het perspectief van de overheid te scannen waar het probleem zit en hoe we dat moeten oplossen. De kunst van de collectieve taal is om tegengewicht te bieden aan dat soort impulsen om voor ons zelf te onderzoeken of het ook wel rechtvaardig en gelijk is, een onderzoek vanuit het oude paradigma” (Verleysen et al., 2016).

 

Literatuurlijst

 

Argyris, C., & Schön, D. A. (1978). Organizational Learning: A Theory of Action Perspective. Reading, Massachusetts: Addison-Wesley Publishing Compagny.

Bouwen, G. (2010). Leiden Naar Talent En Bezieling. Energie Van Mensen Verbinden Tot Teamkracht. Leuven: LannooCampus.

Bushe, G. R. (2010). Clear Leadership: Sustaining Real Collaboration and Partnership at Work. Boston: Davies-Black.

CBS.   www.cbs.nl

Cooperrider, D. L., & Srivastva, S. (1987). Appreciative Inquiry in Organizational Life. Research in Organizational Change and Development, 1, 129-169.

Cooperrider, D. L., Whitney, D., & Stavros, J. M. (2005). Appreciative Inquiry Handbook. The First in a Series of Ai Workbooks for Leaders of Change. Brunswick: Crown Custom Publishing.

Cornelis, A. (1999). De Vertraagde Tijd. Revanche Van De Geest Als Filosofie Van De Toekomst. Middelburg, NL: Uitgeverij Stichting Essence.

Custers, J. (2012). Zelfsturende Vitale Gemeenschappen: Eburon Uitgeverij BV.

Custers, J., & Schmitz, G. (Eds.). (2012). Zelfsturende Vitale Gemeenschappen: Eburon Uitgeverij BV.

Eggermont, N. (2015). Climate Express. Sporen Van Verandering. Berchem: Eppo.

Fredrickson, B. L. (2001). The Role of Positive Emotions in Positive Psychology: The Broaden-and-Build Theory of Positive Emotions. American Psychologist, 56(3), 218-226. doi: 10.1037/0003-066x.56.3.218

Gagné, M., & Deci, E. L. (2005). Self-Determination Theory and Work Motivation. Journal of Organizational Behavior, 26, 331-362.

Gergen, K. J. (1978). Toward Generative Theory. Journal of Personality and Social Psychology, 36(11), 1344-1360.

Gergen, K. J. (2009). Relational Being. Beyond Self and Community. New York: Oxford University Press.

Hens, T. (2015). Het Kleine Verzet. Berchem: Epo vzw.

Holslag, J. (2015). Vlaanderen 2055. Amsterdam, Antwerpen: De Bezig Bij.

Homer-Dixon, T. (2006). Ten Onder Te Boven. Catastrofe, Creativiteit En De Vernieuwing Van De Beschaving. Utrecht: Uitgeverij Jan van Arkel.

McDonough, W., & Braungart, M. (2013). The Upcycle, Beyond Sustainability - Designing for Abundance. New Yok: North Point Press.

Schmitz, G. (2013). Praten Met Elkaar En Met De Overheid. Essay over De Communicatieve Route Naar Vitale Gemeenschappen. Peel en Maas.

Schmitz, G. (2015). Bestuur De Heelheil. Essay over De Meervoudigheid in Het Openbaar Bestuur. Peel en Maas.

Schmitz, G., van der Coelen, W., Ahaus, K., Hersevoort, A., & van de Wetering, A. (2008). Proeftuin Zelfsturing. Het Brondocument.  Peel en Maas: Gemeente Peel en Maas.

Van Marrewijk, M. (2009). A Typology of Institutional Framework for Organizations. Technology and Investment, 1, 101-109.

Verleysen, B., Lambrechts, F., & Van Acker, F. (2015). Building Psychological Capital with Appreciative Inquiry: Investigating the Mediating Role of Basic Psychological Need Satisfaction. The Journal of Applied Behavioral Science, 51(1), 10-35. doi: 10.1177/0021886314540209

Verleysen, B., Van Acker, F., & Van Dam, K. (2014). The Impact of Appreciative Inquiry on Employees Work Engagement Explained through Basic Psychological Needs. Paper presented at the European Conference on Positive Psychology, Amsterdam.

Verleysen, B., van der Coelen, W., & Schmitz, G. (2016). Verkennend Interview.

(Dit artikel verscheen in Magazine Coachend Vlaanderen - Zomer 2013, naar aanleiding van ons eerste 'summer learning café' met Gervaise Bushe in augustus 2013 te Hasselt.)

Wat maakt dat mensen en organisaties floreren? Wat maakt dat iemand zich goed voelt in een job? Het zijn vragen die ons regelmatig bezighouden. Graag wil ik mijn reflecties hierover met jullie delen, vooral mijn aanvoelen dat het antwoord te vinden is in de manier waarop we bouwen aan partnerships.

In een vorig leven was ik verantwoordelijk voor een transportbedrijf met een 35-tal chauffeurs, actief zowel in de sector personenvervoer als in de sector internationaal goederenvervoer. Zowel vanuit gewoon dagdagelijkse dingen, als vanuit miljoenencontracten, heb ik in die periode het belang van partnerships mogen ervaren. Vandaar dat ik heel vroeg bij deze job, als baseline voor de firma gekozen heb voor: Je partner op de weg. Deze korte zin duidt op twee elementen: (a) iedereen die van ver of kortbij, als leverancier of klant, als baasje of arbeider, als buur of vriend, ook maar iets te maken met de firma is betrokken bij de firma en (b) iedereen floreert als er gewerkt wordt aan duurzame partnerships met alle betrokkenen. Of het nu gaat om de man die de parking borstelt, de chauffeur die 1000 km verder een levering doet, de bediende aan de telefoon, de klant die een busreis onderneemt, de leverancier die banden verkoopt, de magazijnverantwoordelijk die een zending verwacht, de buurman die het zwaar vervoer ziet passeren … iedereen is betrokken bij de firma, iedereen is ‘stakeholder’!

Deze gedachten hebben mijn verder denken en doen sterk beïnvloed. In het begin eerder onbewust maar gaandeweg  ben ik bewust gaan zoeken naar wat een samenwerkingsvorm zoals partnership duurzaam maakt en ervoor zorgt dat iedereen zich er goed bij voelt. Met duurzame partnerships gaan we voorbij aan het korte gewin in een relatie, en het goed voelen is niet voldaan met het loutere ‘happy and shiny’-gevoel.

Een belangrijke bron van inspiratie voor mijn denken was het boek van E. Schein ‘Helping. How to offer, give and receive help’.  Met als ondertitel ‘Understanding effective dynamics in one-to-one, groep and organizational relationships’.  Het is een van de boeken die binnen mijn handbereik liggen als ik wat gedachten wil verwoorden rond relaties. De gedachten die hij beschrijft zijn heel breed te begrijpen en over te brengen in heel diverse contexten, in persoonlijke relaties, in coachingsverbanden bij een-op-een, in het begeleiden van groepsprocessen en tal van andere situaties.  Zo stelt Schein dat je binnen partnerships een comfortabel gevoel krijgt als er duidelijkheid is over een aantal vragen: (a) Wie ben ik en welke rol wil ik opnemen in deze relatie? (b) Wat en hoeveel wil ik inbrengen in deze groep? (c) Brengt deze groep mij wat ik eigenlijk verlang? En tenslotte (d) Wat is het niveau van vertrouwelijkheid in de groep? Deze vier vragen helpen om duidelijkheid te krijgen over agenda’s en omgangsvormen in een relatie, welke de context van de relatie ook is. Een ander boek dat steevast bij me ligt is het boek van Gervase Bushe: ‘Clear Leadership. Sustaining real collaboration and partnerships at work’. Dit boek van Gervase is niet alleen een sterke theoretische benadering van wat we moeten verstaan onder partnerships, maar het is vooral een leerboek om op een andere manier in dialoog te gaan. Beide boeken zijn echte aanraders!

Vanuit de inspiratie van beide boeken en andere lectuur van o.a. David Cooperrider, en vooral vanuit wat ik heb zien gebeuren in groepen ben ik ervan overtuigd dat duurzame relaties, die mensen en organisaties doen floreren, gebaseerd op een dubbele spiraal van twee bewegingen die tegelijkertijd ontstaan en mekaar versterken: (a) de verbinding opzoeken en (b) het opwaarderen van sterktes in personen en organisaties.

De verbinding opzoeken betekent actief in een relatie stappen. Het betekent bouwen aan kwaliteitsvolle relaties, waarbij  groei en bloei ervaren wordt. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat de verbinding van twee personen eigenlijk een samengaan is van twee werelden met een eigen voorgeschiedenis, met eigen geuren en kleuren, met eigen beelden en klanken, kortom met eigen zingevingen. Het vraagt een enorme openheid en vertrouwen in mekaar om vanuit een authentieke nieuwsgierigheid open te staan voor mekaar. Het is het besef dat mijn leef- en werkwereld niet de enige is en zeker niet de enige ware, het besef dat het niet éénduidig zwart of niet éénduidig wit is, maar ook zeker niet het kleurloze grijs. De verbinding opzoeken betekent instappen in een nieuwe, onbekende leef- en werkwereld als een voortschrijdende co-creatie waarin alle betrokkenen zich comfortabel voelen en floreren.

Een gelijktijdige beweging die dit opzoeken van verbindingen versterkt is het opwaarderen van wat waardevol is in personen en organisaties, processen en systemen. Het is doorheen die relatie het actief op zoek te gaan naar nieuwe en onontgonnen mogelijkheden. Het is bijna zoals een jager aandacht hebben voor sporen van wat er verborgen zit in de omgeving, of zoals Bushe het noemt ‘tracking’.  Het is tegelijkertijd ook dat waardevolle aanwakkeren tot meer. Het betekent dat kleine vuurtje te ‘fannen’, zuurstof toe waaien zodat het echt oplaait.

Samenvattend kunnen we stellen: tracking en fanning als voortdurende beweging in de dialoog tussen mensen zorgt ervoor dat mensen en organisaties floreren! Het is het DNA van een geslaagde individuele coaching, van een succesvolle procesbegeleiding in organisaties, van diepe relaties tussen mensen. Deze ideeën komen ook terug in ‘Dialogic Organization Development’ als een overkoepelende kader voor heel wat hedendaagse benaderingen in organisatieontwikkeling, waarbij aandacht voor sterktes centraal staat. Met Dialogic Organization Development werken participanten aan het floreren van mensen en organisaties vanuit het samen ontwikkelen van generatieve beelden voor de toekomstige organisatie.

 

Bronnen

Bushe, G. R. (2010). Clear Leadership: Sustaining Real Collaboration and Partnership at Work. Boston: Davies-Black.

Cooperrider, D. L., & Godwin, L. (2012). Positive Organization Development: Innovation-Inspired Change in an Economy and Ecology of Strengths. In K. Cameron & G. Spreitzer (Eds.), The Oxford Handbook of Positive Organizational Scholarship (pp. 737 - 750). New York: Oxford University Press.

Marshak, R. J., & Bushe, G. R. (2013). An Introduction to Advances in Dialogic Organization Development. OD Practitioner, 45(1), 1-4.

Schein, E., H. (2009). Helping. How to Offer, Give En Receive Help. Understanding Effective Dynamics in Ono-to-One, Group and Organizational Relationships. San Francisco: Berret-Koehler Publishers, Inc.

 

 

In dit verhaal

In dit verhaal
speelt niemand de hoofdrol
maar vullen mensen
en bomen elkander aan

want zonder bomen
is ademloosheid voor de mensen
bomen snakken
naar mensenhanden
die hen strelen en waarderen

ook vogels horen in
deze ruimte thuis
zij beitelen met hun snavel
een ongezongen lied
in de boomschors

de mens slaat vol bewondering
het hele gebeuren gade
en drinkt leven uit de milde gaven
van de natuur

een gedicht van Edith Oeyen – (gelezen op een Goei Wei in Houthalen – januari 2016)

 

Op een koude winteravond, na de confronterende nieuwsberichten belanden op een goei wei, zo maar. En dan nog even een lamp bijdraaien voor meer licht. Daar tussen het groen en de tekeningen een gedicht lezen. Even stil worden. Op dat ene moment, de essentie ervaren: het verhaal van verwondering voor de generatieve kracht van de gaven uit de natuur, de verbondenheid. Het is even als een sacraal moment dat je wil vastgrijpen, maar tegelijkertijd voel je dat je het niet mag vastgrijpen, maar moet openen naar de wereld.

De burn-out van de maatschappij

Een verwrongen relatie met de leefomgeving ligt aan de oorsprong van een aantal tektonische spanningsvelden als ondergrondse bedreigingen voor onze samenleving (Homer-Dixon, 2006). Dagelijks brengen nieuwsmedia deze dreigingen als harde realiteit bij ons binnen. De vluchtelingenstroom eindigt de jongste maanden in onze achtertuin. Een stijgende energiekost, een nakende piekolie en een mogelijke black-out zijn de gespreksonderwerpen aan de ontbijttafel. Op sociale media getuigen we met de beklijvende foto’s wat onze levenswijze aanricht met het milieu. Enorme bosbranden, levensbedreigende overstromingen en ongeziene orkanen zijn tekenen van een ingrijpende klimaatverandering. Ook onze handel op basis van de klassieke economische en monetaire modellen staat onder sterke druk. Kortom, onze lang-voor-absoluut-aangenomen waarheden kloppen niet meer. Lente- en andere burgeropstanden uit het verleden, de bloeiende samenlevingsbeelden waarvan we dromen en de opgebouwde welvaart lijken te verdwijnen onder een tsunami van geweld met water, vuur en kogels. We voelen ons niet goed met de bestendige onzekerheid over wat morgen zal zijn. Ons wereld- en ons samenlevingsmodel gaan als het ware door een burn-out met het gevoel van machteloosheid, gekende stemmingswisselingen en stuur- en doelloos om zich heen slaan. Blijkbaar was het 40 jaar geleden al niet anders: “As a result, our organizations live in economic, political, and technological environments which are predictable unstable” (Argyris & Schön, 1978). De focus lag toen echter op onze organisaties, nu op de hele samenleving. Is een apocalyptische neergang niet meer te keren?

Naast dit doemscenario horen we ook andere verhalen. We lezen over lokale initiatieven in onze leefomgevingen en organisaties, succesvolle transitie initiatieven en veranderingstrajecten, geslaagde burgerinitiatieven met deeleconomie en ruilhandel, bottom-up veranderingsbewegingen en alternatieve maatschappelijke projecten (G. Bouwen, 2010; Cooperrider, Whitney, & Stavros, 2005; Eggermont, 2015; Hens, 2015; McDonough & Braungart, 2013; Verleysen, Lambrechts, & Van Acker, 2014). “Er borrelt wat in de onderbuik van de samenleving … het gonst van verrassende ideeën en van structurele oplossingen” (Eggermont, 2015, p. 123). Zijn dit tekenen van de catagenese, de klim naar een nieuwe toekomst, de samenleving 2.0 (Homer-Dixon, 2006)?

Onze samenleving is duidelijk op een kantelpunt: “Heel Europa staat voor de noodzakelijke omslag naar een nieuw samenlevingsmodel” (Holslag, 2015, p. 110). Hierbij is het grote besef: Wij zijn het kantelpunt. De mens is een toekomstzoeker (E. O. Wilson in McDonough & Braungart, 2013). We hoeven de verandering niet te ondergaan! Op een godvergeten eiland ondergaat Robinson Crusoe zijn lot ook niet, maar kiest voor een toekomst zodat er niet alleen met Vrijdag maar op alle dagen leven zal zijn. De samenleving 2.0 genereren wij op basis van één spelregel: “Dat doen waar we zelf beter van worden, waar we zoveel mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen voor een zo lang mogelijke tijd mee scheppen” (Holslag, 2015, p. 110). Dat is de uitdaging! Welke hefbomen hebben wij voorhanden om vandaag deze toekomst op te starten?

De sluitsteen voor die samenleving 2.0 is een radicale shift in het kijken naar de wereld (Cooperrider & Godwin, 2012). Wij hebben behoefte aan de blik van Michelangelo zoals op het moment dat er een blok marmer in zijn werkplaats stond. Een ruwe blok marmer. Michelangelo zag geen ruwe blok, hij zag David. Hij moest het beeld enkel zichtbaar maken, wat hij met passie deed vanaf zijn eerste beitelslag (Cooperrider, 2008).

Een wetenschappelijke blik op de wereld

Het dominante model om te kijken naar onze leefwereld is de wetenschappelijke insteek. Het summum hiervan zijn de wiskunde en de bijbehorende logica. “Scientific theories are different from theological, philosophical or other explanations in that scientific theories can be empirically tested using scientific methods” (Bhattacherjee, 2012, p. 25). Het wetenschappelijke denkpatroon start met de opdeling van onze leefomgeving in “facts” en “non-facts”. Facts zijn als naakte feiten, als de keiharde en observeerbare werkelijkheid. Het zijn de enige objecten die we wetenschappelijk kunnen onderzoeken. Op basis van die facts en hun onderlinge relaties leveren onderzoekers rekken vol met bewezen modellen en beargumenteerde verklaringen, verduidelijkt met evidente tabellen en inzichtelijke diagrammen. Wetenschappelijk verantwoorde methodieken zorgen ervoor dat deze modellen correct zijn en statistisch bijna alle toevalligheden uitsluiten. Dit laat ons toe alle bewegingen in het heelal te verklaren, weermodellen te creëren en economische groeimodellen te ontwerpen. Hierdoor begrijpen we de wereld. We verklaren alles wat er gebeurt en we denken in staat te zijn om de toekomst te voorspellen, te beheersen en zelfs te managen.

Dezelfde succesvolle en dominante wetenschappelijke methodieken gebruiken wij ook om onze sociaal-maatschappelijke context te onderzoeken. Wij delen de sociaal-maatschappelijke wereld op in facts en non-facts, waarbij enkel de facts belangrijk zijn. De training en opleiding in menswetenschappelijke richtingen zijn gekenmerkt door deze pure wetenschappelijke insteek: training in een systematische observatie van facts en de onderlinge voorspelbare relatie tussen de objecten (Gergen, 1978). Vanuit deze traditie leveren sociaal-maatschappelijke wetenschappers eveneens bewezen modellen waarmee we het doen en laten van de maatschappij, van mensen en organisaties verklaren, voorspellen, beheersen en managen. Hierdoor zijn we rotsvast overtuigd dat het onderzoek van de sociaal-maatschappelijke context gebeurt op een wetenschappelijk verantwoorde en correcte manier. Net als in andere wetenschappen krijgen de ontwikkelde organisatie- en maatschappijmodellen bestaanszekerheid op zichzelf en dienen ze als onweerlegbare basis voor aanbevelingen en beleidsbeslissingen.

Er is echter een fundamenteel verschil tussen Copernicus die naar de sterren kijkt en Michelangelo die met een beitel David genereert. Copernicus en alle andere wetenschappers zijn onderzoekers die een onderzoeksobject bestuderen. Michelangelo is een actor die een beeld genereert. Klassieke wetenschappers onderzoeken de wetmatigheid van oorzaak en gevolg als verklaring voor het heden. Michelangelo ziet in de wereld van vandaag de mogelijkheden van de toekomst en is gepassioneerd om die toekomst vandaag al te realiseren. Michelangelo is niet de afstandelijke onderzoeker van een ruw blok steen, hij is een betrokken actor midden in het verhaal, hij is deelgenoot en creator van de nieuwe wereld. Net als Michelangelo hebben sociaal-maatschappelijke wetenschappers een uitdaging die verder gaat dan het wetenschappelijk verklaren van het heden: Hoe genereren wij een bloeiende toekomst? Voorbij de naakte feiten, voorbij de vanzelfsprekendheid van de vertrouwde leefwereld, voorbij modellen op basis van oorzaak en gevolg, kunnen sociaal onderzoekers hefbomen aanreiken voor die alternatieve toekomst (Gergen, 1978). Geïnspireerd door de aanwezige toekomstsignalen kunnen we de maatschappij 2.0 genereren, omdat een mens niet alleen overleeft, maar vooral floreert (McDonough & Braungart, 2013). En hierbij geldt: “What exists is possible” (Kenneth Boulding in McDonough & Braungart, 2013).

Een generatieve blik op de wereld

Sociaal-maatschappelijke onderzoekers hebben behoefte aan een denkkader dat voorbij gaat aan het rekenkundige 1 + 1 = 2. Klassieke rekenkundige modellen zijn gebouwd op lineaire denkpatronen met oorzaken en gevolgen als vast scenario. Met statistische technieken onderzoeken wetenschappers de gemiddelden uit het verleden om het gemiddelde van vandaag te verklaren. Deze modellen zijn de basis voor een wetenschappelijk exact en verantwoord toekomstbeeld. Een gemiddeld toekomstbeeld. Wetenschappers hebben geen boodschap aan outliers die zich opmerkelijk buiten het gemiddelde bevinden. Wetenschappers hebben behoefte aan een verklarend model, waarbij outliers gelden als vergissingen of statistische toevalligheden (Field, 2005). Doorgaans volgen beleidsmakers deze wetenschappelijke modellen om het maatschappelijk kader vorm te geven. Het beleid is zo verstrengeld in een denkkader, waarin het status-quo van vandaag de maatstaf is voor de toekomst van morgen. Dergelijke aanpak is gebaseerd op gemiddelden uit een verleden en resulteert in een toekomstbeeld van gemiddelden. Echter, op het kantelmoment van vandaag ervaart de samenleving een overvloed aan miskende outliers aan beide zijden van het momentum. Outliers zijn niet de storende factoren in het maatschappelijk gebeuren. Outliers zijn signalen voor een andere realiteit, mogelijk met opportuniteiten voor groei en ontwikkeling (Han, Han, & Brass, 2014; Lambrechts et al., 2008). Sociaal-maatschappelijke onderzoekers kunnen het verschil maken door die outliers niet langer te negeren maar naar waarde te schatten, voorbij het status-quo en richting beter dan het gemiddelde.

Deze noodzakelijke mindshift kan maar gebeuren vanuit een andere invalshoek, weg van de opdeling van de wereld in facts en non-facts en weg van een denken in oorzaak en gevolg. Niet meer met een telescoop of microscoop kijken naar objecten rondom ons, maar onszelf ervaren als deelgenoot van die wereld, als object en subject tegelijkertijd. Tegelijkertijd onderzoeker en onderzochte zijn. Bovendien, als onderzoeker en als onderzochte ook actor zijn (R. Bouwen, 2010). Je blik beroert jouw context en die van de anderen. Waar je naar kijkt komt op de voorgrond en krijgt een waarde voor je; al de rest, hoewel blijvend aanwezig, vervaagt. De voortdurende wisselwerking van onderzoeker en onderzochte is als een tango waarin partners nieuwe dingen genereren waar anderen van genieten. In een voortdurend wisselende onderzoekshouding ontwikkelen onderzoeker en onderzochte samen de verandering die men wenst (Barrett & Fry, 2005). Het is de waarderende blik: niet de ruwe steen zien, het is David zien. Het is de machtige eik zien in die kleine eikel (Thatchenkery & Metzker, 2006). Die nieuwe blik op de wereld noemen we “Appreciative Intelligence”: de kunst om met waardering in de oude vertrouwde en vanzelfsprekende wereld een oog en een hart hebben voor nieuwe mogelijkheden (Thatchenkery & Metzker, 2006). Het is niet een blik die gebaseerd op statistische kansberekening (“probabilities”), maar een inzicht met een oog en een hart voor nieuwe mogelijkheden en opportuniteiten (“possibilities”). De wereld bestaat niet langer uit facts, onderscheiden van non-facts, waarbij oorzaak en gevolg het trajectverloop vastleggen. De wereld is nu een conglomeraat van nieuwe mogelijkheden waarin de co-creatie van een bloeiende toekomst opborrelt (Bushe, 2013; Lambrechts, Martens, & Grieten, 2008; Verleysen et al., 2014).

De leefcontext beleven in al zijn potentialiteit ontstaat in de relativering van de eigen kennis en wijsheid. Afstand nemen van het eigen vertrouwde en voor evident aangenomen denkkader. Met kinderlijke verwondering kijken naar de dingen en mensen (Cooperrider, 1996). Open staan voor een blik voorbij de grens van je eigen vertrouwde ervaringen en zekerheden. De revolterende democratiseringsboodschap van mei 1968 klinkt nog: er is niet iets met een absoluut bestaansrecht waaraan al de rest wordt afgemeten; er is niet iets als een absolute waarheid als maatstaf om alle andere uitspraken te evalueren. Deze noodzakelijke relativering ontstaat op het kruispunt van wisselende en gedeelde perspectieven van deelgenoten in de sociaal-maatschappelijke context.

De enige werkelijkheid die er is en die er toe doet, creëren we samen (Gergen & Gergen, 2004). In dit proces speelt de kwaliteit van de relatie een belangrijke rol (R. Bouwen, 2010). Kwaliteitsvolle relaties bloeien doorheen de co-creatie van leerpraktijken, lerende netwerken waarin een onderlinge uitwisseling kiemkracht genereert voor ontwikkeling en groei (G. Bouwen, 2010; Bushe, 2010; Lambrechts et al., 2008; Wenger, 2000). Samen onderzoekend in kwaliteitsvolle relaties vormt het begin van een nieuwe leefcontext met openheid voor een toekomst. Het is zoals een brug maken terwijl je erover loopt. Hierbij is kennis, expertise en ervaring niet als het pakket dat iemand in eigendom heeft en al dan niet doorgeeft. Kennis genereren is een tango met twee, een relationeel gebeuren (Cook & Brown, 1999; Gergen, 2011). Kennis zit niet “tussen de oren, maar tussen de neuzen” (R. Bouwen, 2010).

Waarderende verbinding als generatieve kracht

De kennisontwikkeling, nodig om over het kantelpunt heen de diepgaande maatschappelijke verandering in gang te zetten is geen kennis die teruggrijpt naar de vraag “Wat is de oorzaak?” of “Wie heeft het fout gedaan?”. De transitie naar een toekomst met overvloed aan leven begint met vragen zoals: “Waarvan in onze leefomgeving willen we meer? Welk toekomstbeeld van onze samenleving verlangen we?” en “Wat kunnen we hier samen mogelijk maken?”

Dit onderzoek ontwikkelt zich midden in het sociaal-maatschappelijk gebeuren van elke dag. De noodzakelijke kennis hierover komt vanuit de mensen die er deel van uitmaken. Zij zijn de experts inzake de eigen samenleving, de wereld die ze verlangen en de opportuniteiten die aanwezig zijn. De vraagstelling naar de eigen dromen en verlangens, de dromen voor hun kinderen en kleinkinderen brengt niet alleen de weten-schap boven water maar genereert de energie om vandaag die transitie te maken. Het vuur in de ogen als mensen vertellen over hun hoop en droom voor een toekomst is besmettelijk en werkt aanstekelijk. Dat kleine vuur heeft behoefte aan zuurstof om de maatschappelijke verandering in vuur en vlam te zetten (G. Bouwen, 2010; Bouwen & Meeus, 2011).

Dergelijke maatschappelijke verandering ontstaat in een dubbele onderzoeksbeweging: tracking of het zoeken van sporen van meer leven en welzijn en vervolgens fanning of die beginnende kleine vonk van meer leven en welzijn aanwakkeren (Bushe, 2010). Tracking en fanning versterken de verbinding met anderen in het gezamenlijk onderzoek van wat waardevol in de eigen leefwereld. Hierbij groeit een sterke spiraal van verbindend waarderen als bron van een groeiende energie naar samen #bloeiendtoekomst maken.

De kanteling

Neen, de uitvinding van het wiel is niet de oorzaak is van ons fileleed van vandaag. Onze maatschappij hoeft niet terug de geitenwollen sokken aan te trekken en met de stootkar naar het veld te gaan. Maar vanuit een gezamenlijk onderzoek kunnen we samen hefbomen ontwikkelen om het keerpunt te realiseren. Het gebeurt vandaag al: een enorme creatieve geest is aan de slag in het denken en doen van burgers. Sporen in de tussenlagen van het maatschappelijk middenveld zijn signalen dat het kan (Eggermont, 2015). Lokale gemeenschappen transformeren diepgaand. Co-housing, community- en stadsboerderijen zijn nieuwe samenlevingsvormen. Verder verschijnen er diverse burgerbewegingen, los van de klassieke organisatieculturen zoals Hart boven Hard, klimaatexpress, vrijdag zonder vlees, Eva en vele andere lokale initiatieven. Het vrijwilligerswerk krijgt meer en meer aandacht bij de burgerbevolking. De economie krijgt een andere gedaante door de creatie van nieuwe samenwerkingsvormen zoals crowdfunding, coöperatieve ondernemingen, repaircafé’s, weggeefwinkels, autodelen en andere niet op winst gerichte activiteiten. Stilaan maar zeker groeit er een maatschappelijk draagvlak voor een basisinkomen. Meer dan eens horen we de vraag om welvaart en vooruitgang te meten op een andere manier dan op basis van het BNP.

Deze lokale veranderingen geven uiting aan het verlangen van mensen om globaal sustainable te blijven, vooral vanuit het besef dat er geen alternatief is voor onze planeet. Burgers willen vandaag meer dan ooit weten wat ze eten, vanwaar het komt en wie het verbouwd heeft in welke omstandigheden. Zo ook met kledij en andere verbruiksgoederen. Als het gaat over geldzaken willen burgers weten wat hun bank doet met het geld en waar geïnvesteerd wordt met hun spaarcenten.

Mensen zoeken in alle facetten van hun dagelijks bestaan de verbinding te maken tussen dingen die zij waardevol vinden, wat belangrijk is voor de natuur en wat noodzakelijk is voor het ondernemerschap. Op dit kruispunt werken burgers aan een andere toekomst. Als de politiek het laat afweten om de verbinding van deze belangen te realiseren en er een boeltje dreigt van te maken, dan starten burgers zelf initiatieven zoals ringland en de klimaatzaak. De burger gaat ervoor, omdat het de moeite waard is en eigenlijk gewoonweg levensnoodzakelijk.

Hoe zou de samenleving eruit zien als overal in Vlaanderen en Europa mensen lokaal die verbinding maken vanuit de zorg voor een toekomstvisie, een visie op mens en maatschappij? De zorg voor de stad, politiek, kan dan een nieuwe dimensie krijgen. Weg van het wantrouwen en afkeer kan politiek een uitnodiging aan burgers zijn om mee initiatief te nemen in de zorg voor de stad. Samen bouwen aan een partnership waarbij iedereen zich betrokken voelt op het gedeeld belang: een waardevolle toekomst voor de mens dankzij een respectvolle relatie met een leefomgeving die niet oneindig is, maar de kans moet krijgen om mee te groeien.

Literatuurlijst

Argyris, C., & Schön, D. A. (1978). Organizational learning: A theory of action perspective. Reading, Massachusetts: Addison-Wesley Publishing Compagny.

Barrett, F. J., & Fry, R. E. (2005). Appreciative Inquiry; a positive approach to building cooperative capacity. Ohio: Taos Institute Publications.

Bouwen, G. (2010). Leiden naar talent en bezieling. Energie van mensen verbinden tot teamkracht. Leuven: LannooCampus.

Bouwen, G., & Meeus, M. (2011). Vuurwerkt. Met talent toekomst maken. Leuven: Lannoocampus.

Bouwen, R. (2010). Relational practices for generative communal organizing: From geel to equador. In C. Steyaert & B. Van Looy (Eds.), Relational practices, participative organizing (pp. 21-40). Bingley: Emerald Group Publishing Limited.

Bushe, G. R. (2010). Clear leadership: Sustaining real collaboration and partnership at work. Boston: Davies-Black.

Bushe, G. R. (2013). Generative process, generative outcome: The transformational potential of Appreciative Inquiry. In D. L. Cooperrider, D. P. Zandee, L. Godwin, M. Avital, & B. Boland (Eds.), Organizational generativity: The appreciative inquiry summit and a scholarshop of transformation (Vol. 4, pp. 89-122). Bingley, UK: Emerald Press.

Cook, S. D. N., & Brown, J. S. (1999). Bridging epistemologies: The generative dance between organizational knowledge and organizational knowing. Organization Science, 10(4), 381-400.

Cooperrider, D. L. (1996). The child as agent of inquiry. OD Practitioner.

Cooperrider, D. L. (2008). The 3-circles of strengthsrevolution. AI practitioner.

Cooperrider, D. L., & Godwin, L. (2012). Positive organization development: Innovation-inspired change in an economy and ecology of strengths. In K. Cameron & G. Spreitzer (Eds.), The oxford handbook of positive organizational scholarship (pp. 737 - 750). New York: Oxford University Press.

Cooperrider, D. L., Whitney, D., & Stavros, J. M. (2005). Appreciative inquiry handbook. The first in a series of ai workbooks for leaders of change. Brunswick: Crown Custom Publishing.

Eggermont, N. (2015). Climate express. Sporen van verandering. Berchem: Eppo.

Field, A. (2005). Discovering statistics using spss. London: Sage Publications Ltd.

Gergen, K. J. (1978). Toward generative theory. Journal of Personality and Social Psychology, 36(11), 1344-1360.

Gergen, K. J. (2011). Relational being: A brief introduction. Journal of Constructivist Psychology, 24(4), 280-282.

Gergen, K. J., & Gergen, M. (2004). Social construction. Entering the dialogue. Chagrin Falls, Ohio: Taos Institute Publications.

Hens, T. (2015). Het kleine verzet. Berchem: Epo vzw.

Holslag, J. (2015). Vlaanderen 2055. Amsterdam, Antwerpen: De Bezig Bij.

Homer-Dixon, T. (2006). Ten onder te boven. Catastrofe, creativiteit en de vernieuwing van de beschaving. Utrecht: Uitgeverij Jan van Arkel.

Lambrechts, F., Martens, H., & Grieten, S. (2008). Building high quality relationships during organizational change. Transcending differences in a generative learning process. The international journal of diversity in organisations, communities & nations, 8(3).

McDonough, W., & Braungart, M. (2013). The upcycle, beyond sustainability - designing for abundance. New Yok: North Point Press.

Thatchenkery, T., & Metzker, C. (2006). Appreciative intelligence. Seeing the mighty oak in the acorn. San Francisco: Berrett-Koehler Publishers, Inc.

Verleysen, B., Lambrechts, F., & Van Acker, F. (2014). Building psychological capital with Appreciative Inquiry: Investigating the mediating role of basic psychological need satisfaction. The Journal of Applied Behavioral Science.

Wenger, E. (2000). Communities of practice and social learning systems. Organization, 7(2), 225-246.