Gemeenschap in ontwikkeling

Gemeenschap in ontwikkeling

A research on relational practices in the co-creation
of flourishing futures in a communal context.

een actie-onderzoek rond gemeenschapsontwikkeling binnen de gemeente Peel en Maas

Drs Bert Verleysen
PhD-student aan UHasselt
zomer 2016

Promotor: Prof. Dr Frank Lambrechts, UHasselt
Copromotoren: Dr. Styn Grieten, KULeuven en prof. em. René Bouwen, KULeuven

Vooraf

Voorliggend memorandum is een opstap naar een actieonderzoek rond gemeenschapsontwikkeling: “… wat er mogelijk wordt als in een samenleving bewoners, naast praten met een overheid, vooral gaan praten met elkaar” (Verleysen, van der Coelen, & Schmitz, 2016). Het is een begin van een wetenschappelijk verhaal over samen toekomst bouwen, waarbij én actie én onderzoek in een voortdurende wisselwerking bouwen aan die samenleving.

Deze tekst is geschreven op basis van onder andere een interview met Geert Schmitz en Wil van der Coelen (voor citaten wordt gerefereerd naar Verleysen et al., 2016). Geert en Wil zijn verbonden aan de gemeente Peel en Maas en zitten op de eerste rij bij dit onderzoekend samenleving bouwen. De voorliggende pagina’s zijn de bakens voor dit onderzoek met (a) een kennismaking met het verhaal van zelfsturing in de gemeente Peel en Maas, (b) een verfijning van de eigenlijke onderzoeksvragen op niveau van het actieonderzoek binnen deze gemeente.

Het geheel is een uitnodiging aan de lezer om me te denken in dit onderzoek. Voel je uitgenodigd als tochtgenoot  in deze boeiende onderneming. Jouw bijdrage geeft dit project de kleur die het geheel alleen maar rijker kan maken.

de aanloop naar dit onderzoek

In dit onderzoek zijn geen onderzoekers die objectieve meetinstrumenten hanteren om de samenleving in kaart brengen. Ook geen subjecten of objecten die vanaf de zijlijn met een vergrootglas bekeken en onderzocht worden. In dit verhaal zijn er alleen betrokkenen die samen stappen in een ontdekkingstocht (“tracking”) naar het beste bij de tochtgenoten en hun leefcontext om dit dan te versterken (“fanning”) richting co-creatie van een bloeiende toekomst (tracking en fanning zijn begrippen van Bushe, 2010). Dit actieonderzoek vormt een onderdeel van het promotieonderzoek aan Universiteit Hasselt.

Medio 2016 vierde ik mijn 65ste verjaardag. Een paar jaar eerder stopte ik met een actieve (lees betaalde) baan om dingen te doen die ik graag doe: (a) mijn studie afwerken en (b) aan de slag gaan met een passie uit de periode van de mei-revolte 1968, opkomen voor een andere samenleving. Eenzelfde drang tot engagement, maar nu ingebed in een wetenschappelijke geïnspireerd verhaal. Niet langer in de contestatiesfeer van weleer, maar wel vanuit een vernieuwd denkkader, actief onderzoekend naar de taal voor een politieke uitnodiging tot een brede co-creatie.

Tussen mei 1968 en vandaag ligt een heel verhaal. Ik ben altijd geboeid geweest door menselijke relaties, vooral in werkcontexten. Vanuit mijn bekommernis om medewerkers een goede werkervaring te bezorgen, startte ik in 2006 met de BAMA-opleiding Arbeids- en Organisatie Psychologie aan de Open Universiteit. Bij mijn allereerste schrijfopdracht was ik enorm gecharmeerd door de “broaden and build”-theorie van Fredrickson (2001). Met deze inspiratie op zak mocht ik in 2009 aanwezig zijn op de eerste World Conference on Positive Psychology in Philadelphia. Een enorme ervaring om oog in oog te staan met enkele belangrijke hedendaagse psychologen zoals: Martin Seligman, Mihaly Csikszentmihaly, Ed Diener en anderen. Maar daar was ook David Cooperrider. De man van Appreciative Inquiry (Cooperrider & Srivastva, 1987). Deze ontmoeting opende voor mij een deur, het begin van een boeiend onderzoekstraject, a never-ending-story.

De inspiratie voor mijn bacheloronderzoek vond ik in de motivationele hoek, meer bepaald de Self Determination Theory (SDT; Gagné & Deci, 2005). Met dit onderzoek keek ik naar de ervaringen van de individuele medewerker in een organisatie (Verleysen, Lambrechts, & Van Acker, 2015). In mijn masteronderzoek bestudeerde ik de vitaliteit van medewerkers in bloeiende organisaties (Verleysen, Van Acker, & Van Dam, 2014). De ervaring van een masterdiploma te halen op latere leeftijd maakte de onderzoeker in mij wakker. De aanmoedigingen –fanning- van docenten en een brede erkenning van mijn onderzoek versterkte dit alleen maar. De combinatie van mijn jongste werkervaring bij Stebo in Genk, de verschillende ontmoetingen uit dezelfde periode en de inzichten vanuit mijn eigen onderzoeken zorgden voor een nieuw leven rond die oude passie uit 1968 of zoals Geert Schmitz omschrijft in het interview: “…eigenlijk is ook de hoop dat we ooit vanuit het collectieve denken werk en economie inrichten, een totaal andere samenleving …” (Verleysen et al., 2016).

De gemeente Peel en Maas werkt reeds jaren aan de co-creatie van dat nieuwe samen leven (Custers, 2012), vanuit de houding zoals Wil verwoordt: “Als je het volk aan de gang wil krijgen moet je  het volk ook aan de gang laten.” (Verleysen et al., 2016). Met de instap in dit verhaal krijgt mijn PhD-onderzoek een nieuwe dimensie als een inspiratiebron voor een fundamenteel ander politieke cultuur vandaag. Zo is de cirkel rond: de mei-revolte van 1968 en de uitdagingen van vandaag, ruim 50 jaar later: van flower power naar flourishing futures.

 

een onderzoek in een veranderende leefomgeving

De hedendaagse leefcontext is wereldwijd meer dan ooit in een veranderingsmodus. Blijkbaar was het 40 jaar geleden niet anders: “… our organizations live in economic, political, and technological environments which are predictable unstable” (Argyris & Schön, 1978). De focus lag toen op onze organisaties, nu duidelijk op de hele samenleving.

De veranderingen van vandaag betekenen eigenlijk een transitie naar een nieuwe leefcontext. Wil verwoordt dit als volgt: “De periode van de jaren 70 kende een heel optimistische tijdsgeest, met een hoge mate voor solidariteit; waarden die tussen de jaren 70 en nu verdwenen zijn, maar stilaan terugkomen” (Verleysen et al., 2016). Vandaag rapporteren heel wat auteurs over lokale initiatieven in onze leefomgevingen en organisaties, succesvolle transitie initiatieven en veranderingstrajecten, geslaagde burgerinitiatieven met deeleconomie en ruilhandel, bottom-up veranderingsbewegingen en alternatieve maatschappelijke projecten (Bouwen, 2010; Cooperrider, Whitney, & Stavros, 2005; Eggermont, 2015; Hens, 2015; McDonough & Braungart, 2013; Verleysen et al., 2015). “Er borrelt wat in de onderbuik van de samenleving … het gonst van verrassende ideeën en van structurele oplossingen” (Eggermont, 2015, p. 123). Zijn dit tekenen van de catagenese, de klim naar een nieuwe toekomst (Homer-Dixon, 2006)?

Of zoals Holslag (2015) beschrijft: “Heel Europa staat voor de noodzakelijke omslag naar een nieuw samenlevingsmodel” (p. 110). Hierbij is het grote besef dat de mens een toekomstzoeker is en zo het kantelpunt vormt (O. Wilson in McDonough & Braungart, 2013). We hoeven de verandering niet te ondergaan! Op een godvergeten eiland ondergaat Robinson Crusoë zijn lot ook niet. Hij kiest actief voor een toekomst zodat er niet alleen met Vrijdag maar op alle dagen leven zal zijn. Een echte toekomst genereren, doen wij op basis van één uitdaging: “Dat doen waar we zelf beter van worden, waar we zoveel mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen voor een zo lang mogelijke tijd mee scheppen” (Holslag, 2015, p. 110).

De opdracht is duidelijk: “ … die samenleving terug in elkaar knutselen” (Schmitz, 2013, p. 7). De noodzakelijke kennis voor “de ontwikkeling van de maatschappij steunt op de zelfstuurders” (Cornelis, 1999, p. 7). Of zoals Custers en Schmitz (2012) het verwoorden: ”Zelfsturing zou je dus ook kunnen omschrijven als het proces waarin burgers als vaklui werken aan de ontwikkeling van de samenleving” (p. 27).

Tegen deze achtergrond situeert volgens Geert de uitdaging van dit onderzoekstraject: “Nu zitten we in een fase waarbij vanuit collectieve zelfsturing een nieuwe ruimte voor discours ontstaat die de  aansturing van maatschappelijke organisaties handen en voeten geven” (Verleysen et al., 2016). Dit onderzoek exploreert taal en relationele praktijken die een gemeenschap-onderweg vooruithelpen: “Wat bij bewoners zorgt dat er iets gebeurt en hoe de overheid daarmee kan omgaan” (Verleysen et al., 2016). En hierbij is het moto vooral: “Laat die bloem buiten bloeien, laat die gemeenschap schitteren, en zet jezelf niet op de kaart” (Verleysen et al., 2016).

 

Peel en Maas

Peel en Maas is een gemeente in Nederlands Limburg, ontstaan in 2010 uit een fusie van Helden (Beringe, Egchel, Grashoek, Helden, Koningslust, Panningen), Kessel (Kessel en Kessel‑Eik), Meijel en Maasbree (Barlo en Maasbree). Peel en Maas is 161 km² groot en telt vandaag 43.3016 inwoners (CBS). De naam Peel verwijst naar het Hoogveengebied en Maas naar het Maasland. De naam voor de fusiegemeente werd gekozen na een breed overleg met de inwoners, waarbij iedereen vanaf 14 jaar (!) kon aan deelnemen.

 

De werkkernen: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing

Binnen Peel en Maas staan drie werkkernen centraal: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing.

Voor de fusie kende Helden al heel wat ervaring rond beleid vanuit zelfsturing: “Hierbij was de aandacht vooral voor ‘ga in gesprek met je buren’, wat een heel sterke boost gaf aan de identiteit van de kernen. …er kwam een gesprek op gang om een eigen plan voor het dorp te ontwikkelen … een definitief keerpunt in de relatie tussen overheid en burger” (Geert in Verleysen et al., 2016). Na de fusie werden deze ideeën verder uitgerold over de hele fusiegemeente. In een folder van juni 2011 staat: “… als buren en dorpsgenoten of wijkbewoners vormen we een divers en gemengde gezelschap. … wat we allemaal gemeenschappelijk hebben, is dat we graag willen dat onze omgeving leefbaar is … daar hebben we in principe geen overheid of maatschappelijke organisaties bij nodig. Samen werken aan een leefbare buurt … Dat is de kern van zelfsturing: samen zelf doen” (Custers & Schmitz, 2012, p. 12).

 

de wereld waarin de onderstroom ontstaat

De drang om een gemeentelijk beleid meer te ontwikkelen vanuit zelfsturing drijft op een belangrijke onderstroom in de samenleving. Deze onderstroom ontstaat her en der als een beweging, weg van het overheersende paradigma, weg van een aantal vanzelfsprekendheden, weg van de “samenloosheid van het collectieve” (Geert in Verleysen et al., 2016). Zonder de bedoeling om volledig te zijn en zonder breed uit te werken, volgen hier enkele van die vanzelfsprekendheden die belangrijk zijn om de transitie te kaderen.

Het westers denkkader is beheerst door een klassieke wetenschappelijk patroon, in lijn met het berekenbaar Copernicaans wereldbeeld. Aan de basis ligt de opdeling van de leefomgeving in “facts” en “non-facts”, waarbij enkel de facts als keiharde feiten gelden (Karl R. Popper in Cornelis, 1999). Hierbij past een rechtlijnige logica  van oorzaak en gevolg. Met een loupe voor die facts en hun onderlinge relaties verklaren wetenschappers niet alleen de bewegingen in het heelal, maar voorspellen meteorologen ook het weer van morgen en vooral, projecteren economisten een rechtlijnig groeimodel voor de wereld overmorgen. Alles wat gebeurt is te verklaren en de toekomst is gekend met een 95% statistische zekerheid. Deze manier van kijken is diep verankerd in (wetenschappelijke) opleidingen met een training in systematische observatie van facts om hun onderlinge relaties te begrijpen (Gergen, 1978). Meer nog, dit logisch denkpatroon lijkt overduidelijk succesvol en efficiënt, tenminste in sectoren waar een rechtlijnig 1+1=2 denkpatroon er toe doet. Overigens, dit op-rekenkunde-gebaseerd wereldbeeld is bijna de enige manier om te kijken naar elk domein van de samenleving, zelfs naar de sociaal-maatschappelijk context waarin burgers zich dagelijks bewegen. Deze gedachten zijn het fundament van een business logica, ook binnen een gemeentelijke context: “het beleid heel sterk is gewend aan de dominantie van het geld en ratio van de business”.

Met dit rechtlijnig denken ontstaat ook de drang om alles volgens dit succesvolle denkpatroon centraal aan te sturen. Een blueprint voor de hele gemeenschap waarbij structuren en processen duidelijk beschreven zijn en waarbij de uitkomst voorspelbaar is. Hierbij is dan ook geen ruimte voor andere wegen. Er is slechts ruimte voor één duidelijk plan, volgens één rechtlijnig stroomschema en met voorspelbaar succes. Hierbij hoort ook één duidelijke communicatielijn van boven naar beneden, een communicatie die in een beleidscontext vooral gaat over wat er gedaan wordt. Hier en daar sijpelt dan toch wat door over participatie, maar dan vooral in de sfeer van dezelfde commerciële economie: “geef die andere nu toch het gevoel dat wat hij van jou krijgt, hij eigenlijk ook zelf echt wilde”. Of nog, de periode van de hoorzittingen, het beleid sprak en het volk hoorde. “Het college ging dan naar bijeenkomsten. Zij zaten dan vooraan, en het volk zat in de zaal. En met politieke vriendjes sprak men af wat de vragen waren en wat de antwoorden. De inspraak was er”  (Verleysen et al., 2016). Een typische anekdote uit een Vlaamse gemeente: Op een avond was er in een deelgemeente een zware brand in een oud winkelpand, waar heel wat appartementen bij betrokken waren. Al de bewoners werden geëvacueerd naar een nabijgelegen sporthal. Omwonende buren en zelfstandigen uit het dorp planden een oproep om voedsel en zo te verzamelen om die mensen de avond te laten doorbrengen. Tot de burgemeester zei: “Nee, dat hoeven jullie niet te doen. Ik zal het wel organiseren!” Er was geen ruimte voor een spontane en onvoorspelbare actie vanuit de gemeenschap.

Parallel met dit denkpatroon wortelt zich een ander idee in de samenleving: de suprematie van het individu. Vanaf de wieg krijgen de kleine mensjes de boodschap om op te groeien en het beste in zichzelf boven te halen: “The meaning of one’s life … is to become one’s own person, almost to give birth to oneself” (Robert Bellah in Gergen, 2009, p. 8). Dit is ook vaak een constante binnen een gemeentelijk beleid, waarbij het geheel afgestemd wordt op het individu: “De individualisering wordt op alle terreinen doorgezet. De solidariteit wordt verkwanselt omwille van die individualiteit. Die taal zit in onze democratische organen” (Verleysen et al., 2016). In diezelfde context schrijft Gergen (2009): “Political activity is not so much concerned with achieving the public good as ensuring that ‘my party wins’. When ‘me first’ is an unquestioned reflex, political gridlock should be no surprise. More unsettling are the effects of believing one is superior to others” (p. 12).

Die centrale aansturing en de individualisering zorgen voor een doorgedreven cliëntelisme binnen gemeentelijke diensten en de bijbehorende maatschappelijk organisaties. Beleidsmakers werken aan de dienstverlening voor burgers vanuit een begroting technisch correct business case, waarbij de gebruiker de klant is. “De overheid ontwikkeld zich steeds meer als een C&A of een V&D, waarbij men in competitie gaat inzake dienstverlening” (Wil in Verleysen et al., 2016). Dit is een gevolg van het doorsudderen van de dominante logica. “De nationale overheid strooit die logica met geweld naar beneden. In die zin is populisme geen exclusief van een partij, maar een vertaling hoe het bestuur in deze tijd van neo-liberalisme functioneert. De individualisering wordt op alle terreinen doorgezet” (Verleysen et al., 2016).

Dit individualisme zorgt verder voor een uitholling en afvlakking van de ideeën rond rechtvaardigheid en gelijkheid. Hierdoor verwordt het eenzijdige recht-hebben-op tot een belangrijke maatstaf voor menselijk handelen. Het gevolg is een opgeklopt claimgedrag: “dan ga je claimen, als je ziet dat een ander iets krijgt dan ga je dat ook claimen. Dat claimgedrag leidde er toe dat men steeds verder gaat in een politiek verhaal” (Verleysen et al., 2016).

Er zijn heel wat aanwijzingen in de samenleving dat dit verhaal niet langer kan. Het lukt niet meer en de voorspellingen kloppen niet zoals uitgerekend. Met de begrotingstekorten op alle beleidsniveaus komt een einde aan het verhaal dat de overheid alles in een samenleving moet organiseren en financieren. Met de snelheid van social media zorgen wiki- en andere leaks tot een nooit geziene vraag om transparantie in het beleid. Ook politiekers zitten gewrongen in een spagaat tussen hun politieke rol en hun persoonlijke aanwezigheid in een dorpsgemeenschap: “Zij werden misbruikt als raadslid en niet gewaardeerd als buurvrouw. ‘Wat jij moet doen is tegen de mensen in het dorp zeggen, als jij me nu nog benadert als raadslid en niet als buurvrouw doe ik niet meer mee!’. Door te eisen van de medebewoners om hen te benaderen als ‘buren’ en niet meer als ‘raadslid’ was hun positie veel relaxter. In plaats dat ze constant met een claim weg moesten, waarbij het maar de vraag was of het ging lukken, waren deze personen nu gewoonweg deelgenoot van het gesprek” (Geert in Verleysen et al., 2016). Ook ambtenaren zitten tussen hamer en aambeeld: regelgeving afdwingen en de onvrede van burgers opvangen: “… ook in de manier waarop men functioneert zodat men managers tegenkomt die begrijpen wat er gebeurt. Een manager denkt vanuit het business logica, vanuit het cognitieve, maar hij moet de sociale logica ook begrijpen. En zolang dat niet kan, worden de tussenpersonen tussen beleid en volk steeds afgerekend” (Geert in Verleysen et al., 2016).  Burnout en ander ziekteverzuim zijn tekenen dat het fout zit.

Gelukkig ontstaan langsheen dit verhaal nieuwe en verrassende lokale initiatieven. Deze onderstroom meandert breed in de samenleving: op vlak van ondernemen en handeldrijven, van wonen en zorgverlening in buurten, van kleine lokale burger initiatieven. Hierbij ontstaan vooral empathische verbindingen tussen mensen die samen iets willen doen in een diep respect voor de leefomgeving en gebaseerd op delen. Deze beweging betekent een verschuiving van een samenleving vanuit een klassieke business case, naar een samen leven gebaseerd op een value case … een waardenontwikkeling vanuit sociaal constructionisme en een sociale logica (Schmitz, 2015; Verleysen et al., 2016).

 

de gemeentelijke context

De gemeentelijke context is een complex verhaal van overheid en burgers: “Maar het belangrijkste was dat evenwicht, die verhouding, tussen de overheid en dat volk. Waarbij dat volk goed wist waar de overheid van was en de overheid goed wist waar het volk van was. Wederzijds een heel respectvol evenwicht tussen overheid en het volk” (Verleysen et al., 2016).

De relatie burger en overheid loopt over twee domeinen, het publieke en het openbare, met bijbehorende types van belangen en communicatie (Schmitz, van der Coelen, Ahaus, Hersevoort, & van de Wetering, 2008). In het globaal plaatje onderscheid men vier types, waarbij het beleid en de relatie overheid-burger op een eigen manier wordt ingevuld:

Type 1 en 2 vinden plaats in het openbare domein, beheerst vanuit een leefwereldperspectief. Hier vormen burgers met elkaar gemeenschap. Zelfsturing staat centraal hierbij en de communicatie is gericht om consensus.

  • 1= de gemeenschap
  • 2 = de gemeenschap met ondersteuning van de overheid

Type 3 en 4 vormen het publieke domein, het domein van de overheid. Dit domein wordt georganiseerd vanuit een interactief bestuur met betrokkenheid van de burger. De communicatie is hier gericht op resultaat:

  • 3 = de overheid die de burger betrekt bij haar beleid
  • 4= de overheid die een aantal zaken zelf doet.

Deze vier types kunnen ook begrepen worden vanuit de kleuren in de waardensystemen van Graves (Schmitz et al., 2008; Van Marrewijk, 2009): “Het blauwe waardensysteem gericht op orde, stabiliteit, discipline, procedures, regels en structuur; het oranje waardensysteem gericht op ondernemerschap, mogelijkheden, succes en presteren; het gele, groene en turkoois waardensysteem gericht op consensus, dialoog, synergie, flexibiliteit en heelheid. Een vitale zelfsturende gemeenschap is het traditionele blauwe en oranje waardensysteem ontstegen” (Schmitz et al., 2008, p. 49).

In een gemeentelijke context zijn de verschillende waardensystemen tegelijkertijd aanwezig. De uitdaging is echter om binnen dit waardensystemen de verschillende sectoren met elkaar te laten communiceren, zonder dat de logica van een systeem dominant is op het andere systeem. De uitdaging zal bestaan om een collectieve taal te ontwikkelen: “De logica van dat samenleven van die gemeenschap is een eigen logica die zichzelf in stand houd. Met de catharsis en de communicatieve zelfsturing gaat die logica zich nog versterken  zonder dat die gemeenschap last heeft van hele domme vragen zoals ‘helpen we wel diegene die het nodig hebben’, ‘doet iedereen mee’. Dit zijn dan de hele  typische vragen vanuit het perspectief van de overheid. We zijn ogenblikkelijk gewend om vanuit het perspectief van de overheid te scannen waar het probleem zit en hoe we dat moeten oplossen. De kunst van de collectieve taal is om tegengewicht te bieden aan dat soort impulsen om voor ons zelf te onderzoeken of het ook wel rechtvaardig en gelijk is, een onderzoek vanuit het oude paradigma” (Verleysen et al., 2016).

 

Literatuurlijst

 

Argyris, C., & Schön, D. A. (1978). Organizational Learning: A Theory of Action Perspective. Reading, Massachusetts: Addison-Wesley Publishing Compagny.

Bouwen, G. (2010). Leiden Naar Talent En Bezieling. Energie Van Mensen Verbinden Tot Teamkracht. Leuven: LannooCampus.

Bushe, G. R. (2010). Clear Leadership: Sustaining Real Collaboration and Partnership at Work. Boston: Davies-Black.

CBS.   www.cbs.nl

Cooperrider, D. L., & Srivastva, S. (1987). Appreciative Inquiry in Organizational Life. Research in Organizational Change and Development, 1, 129-169.

Cooperrider, D. L., Whitney, D., & Stavros, J. M. (2005). Appreciative Inquiry Handbook. The First in a Series of Ai Workbooks for Leaders of Change. Brunswick: Crown Custom Publishing.

Cornelis, A. (1999). De Vertraagde Tijd. Revanche Van De Geest Als Filosofie Van De Toekomst. Middelburg, NL: Uitgeverij Stichting Essence.

Custers, J. (2012). Zelfsturende Vitale Gemeenschappen: Eburon Uitgeverij BV.

Custers, J., & Schmitz, G. (Eds.). (2012). Zelfsturende Vitale Gemeenschappen: Eburon Uitgeverij BV.

Eggermont, N. (2015). Climate Express. Sporen Van Verandering. Berchem: Eppo.

Fredrickson, B. L. (2001). The Role of Positive Emotions in Positive Psychology: The Broaden-and-Build Theory of Positive Emotions. American Psychologist, 56(3), 218-226. doi: 10.1037/0003-066x.56.3.218

Gagné, M., & Deci, E. L. (2005). Self-Determination Theory and Work Motivation. Journal of Organizational Behavior, 26, 331-362.

Gergen, K. J. (1978). Toward Generative Theory. Journal of Personality and Social Psychology, 36(11), 1344-1360.

Gergen, K. J. (2009). Relational Being. Beyond Self and Community. New York: Oxford University Press.

Hens, T. (2015). Het Kleine Verzet. Berchem: Epo vzw.

Holslag, J. (2015). Vlaanderen 2055. Amsterdam, Antwerpen: De Bezig Bij.

Homer-Dixon, T. (2006). Ten Onder Te Boven. Catastrofe, Creativiteit En De Vernieuwing Van De Beschaving. Utrecht: Uitgeverij Jan van Arkel.

McDonough, W., & Braungart, M. (2013). The Upcycle, Beyond Sustainability - Designing for Abundance. New Yok: North Point Press.

Schmitz, G. (2013). Praten Met Elkaar En Met De Overheid. Essay over De Communicatieve Route Naar Vitale Gemeenschappen. Peel en Maas.

Schmitz, G. (2015). Bestuur De Heelheil. Essay over De Meervoudigheid in Het Openbaar Bestuur. Peel en Maas.

Schmitz, G., van der Coelen, W., Ahaus, K., Hersevoort, A., & van de Wetering, A. (2008). Proeftuin Zelfsturing. Het Brondocument.  Peel en Maas: Gemeente Peel en Maas.

Van Marrewijk, M. (2009). A Typology of Institutional Framework for Organizations. Technology and Investment, 1, 101-109.

Verleysen, B., Lambrechts, F., & Van Acker, F. (2015). Building Psychological Capital with Appreciative Inquiry: Investigating the Mediating Role of Basic Psychological Need Satisfaction. The Journal of Applied Behavioral Science, 51(1), 10-35. doi: 10.1177/0021886314540209

Verleysen, B., Van Acker, F., & Van Dam, K. (2014). The Impact of Appreciative Inquiry on Employees Work Engagement Explained through Basic Psychological Needs. Paper presented at the European Conference on Positive Psychology, Amsterdam.

Verleysen, B., van der Coelen, W., & Schmitz, G. (2016). Verkennend Interview.