Other Minds. the Octopus and the Evolution of Intelligent Life
(Peter Godfrey-Smith).

Zoals bij meerdere van mijn boekbeschrijvingen is dit geen samenvatting. Deze neerslag is een impressie hoe het boek bij mij is binnengekomen en wat ik ervan blijf meedragen.

Enkele maanden voor het corona-tijdperk, toen we nog mochten vergaderen in een echte zaal, hadden wij met Groen Bilzen Manu Claeys te gast .
Hij heeft heel wat ervaring met burgerbewegingen en democratische processen van onderuit , beschreven in zijn boek “Red de democratie” [1].

Eén quote die ik heb genoteerd tijdens deze boeiende lezing: “Besturen is de richting van burgers mogelijkheden geven. De burgers bepalen de richting, het beleid zoekt het tempo.”  Manu sprak ook over de samenleving en het verhaal over de wisselwerking tussen burgers en beleid vanuit de metafoor van een octopus. Een interessante idee, want hoe slaagt een octopus erin om zich zo snel vooruit te bewegen, zonder over eigen poten te struikelen. Wij hebben het al moeilijk met twee benen, laat ons dan maar zwijgen over de gevaren van acht poten.  In de bespreking achteraf vroeg ik meer hierover, en daarbij verwees hij naar het boek “Other minds. The octopus and the evolution of intelligent life” van Godfrey-Smith [2]. Het ideale boek om te lezen in een corona-tijdperk.

Het boek is een ode aan de oceaan vanuit ontmoetingen met octopussen, ja, vanuit echte ontmoetingen. Tijdens mijn opleiding psychologie heb ik stukken gelezen in “This thing of Darkness” [3], het geromantiseerd verhaal van Darwin en zijn ongelofelijke reis. Ik zeg, ‘stukken’ … het boek telt ook zo een 868 pagina’s. Het begin van Other minds bracht me Darwin terug in herinnering.

Peter Godfrey-Smith is filosoof en geschiedkundige. Hij gaat op zoek naar het begin in de evolutie, en kijkt, althans in dit boek, vooral naar de ontwikkeling van het brein in de natuur. Hij ziet telkens afscheidingen vanaf de eerste eencellige wezens, naar steeds complexere wezens. Een soort vertakking zoals Darwin beschrijft, maar dan gebaseerd op de ontwikkeling van het brein.
De vraag is vooral daarbij via welke oude lijn is ons menselijk brein ontstaan. Zelfs een ééncellig wezen ergens een receptieve radar om te ontvangen, en tegelijkertijd ook een hendel om iets te doen. En dan moet er nog een verbinding zijn tussen de receptor en de actor. Ook die kleine boosdoener Covid-19 heeft dergelijke apparatuur.
Verschillende van die kleine wezens hebben andere soorten receptoren, maar ze zijn allemaal op zoek naar een omgeving die beter is dan op dit moment. In de evolutie is er dan op een bepaald ogenblik ook communicatie bijgekomen, cellen die met mekaar communiceren, de geboorte van het sociale gedrag.
De link tussen receptoren, actoren en zenders zijn de zenuwbanen, die snel boodschappen gericht heen en weer sturen, een veelheid van micro-actions gericht op één macro-action. Uiteraard spelen hierbij de neuronen een cruciale rol. Een idee is eveneens boeiend: ergens in de celdeling is iets speciaals gebeurd: ineens ontstonden meercellige dieren, ofwel gingen gedeelde cellen op een andere manier samen tot een groter geheel (en mijn verontschuldigingen als het niet echt weergegeven is zoals Peter deze gedachte beschreef).

Een volgende beweging in de evolutie is zoeken, jagen en verdedigen. Het wordt stilaan ingewikkelder. In de verdere evolutie zien we die verschillende acties verder verfijnen. Dat kan je verder transponeren naar hedendaagse toestanden in onze sociaal-maatschappelijke omgeving. Hoe verder je gaat, hoe gesofisticeerder zoeken, jagen en verdedigen worden.

Het interessante is dat in de evolutie elk wezen een deel wordt van de omgeving van andere wezens. Hierbij is het verrassend om te kijken hoe wezens van dezelfde soort mekaar kennen, en vooral welke zintuigen groeien er om dingen waar te nemen, en wanneer en hoe is het oog ontstaan als beeldvormer. En telkens zien we dezelfde structuren, een brein verbonden via een soort ruggenmerg met sensoren, actoren en emitoren. Om dat allemaal bij mekaar te brengen is niet veel voor nodig, behalve duizenden neuronen en dan gewoon een hoofd en een stel poten, zoals de Cephalopod’s. Hoe verder in de evolutie hoe gesofisticeerder een en ander wordt.

En dan komen we terecht bij de octopus, heel vroeg in evolutie als een wezen met een centraal zenuwstelsel en acht armen met telkens meer dan 10.000 neuronen die gebruikt worden om te voelen, te proeven en te doen; soms heel onafhankelijk van elkaar en heel vaak niet aangestuurd vanuit het centraal brein. Bewegingen in de arm worden aangestuurd vanuit een oog, maar verfijnd vanuit de arm zelf. De armen kunnen vooral zelf bewegen, zonder gedetailleerde sturing vanuit een centrale unit, het is een evenwicht tussen centrale sturing en lokale toetsing.

Opmerkelijk is ook dat het centrale zenuwstelsel niet afgelijnd in één deel zit, maar eigenlijk door het hele lichaam loopt, er is geen echt onderscheid tussen een control-unit en een action-unit. Het gevolg is dat de ‘kennis’ ook verdeeld zit. Er is geen CEO die een en ander aanstuurt, er is geen onderscheid tussen brain-based en body-based kennis.

Dit leidt dan ook tot een hele reflectie over bewustzijn, over het zelf en het andere. De een doet is met een gevolg voor een ander, ik doe iets en er is een reactie die niet van mij meer is, maar die dan toch ook weer mijn volgende actie beïnvloedt.  Zelfs een worm ‘weet’ dat, een worm die beweegt weet wanneer hijzelf iets doet met de steentjes rondom hem en wanneer iets anders de beweging in de steentje veroorzaakt. Voor wat hijzelf doet heeft hij geen schrik, ook al schuurt dat op zijn lijf, maar hij zal krimpen als dat schuren op zijn lijf niet afkomstig is van zijn gedrag. De worm is zich “bewust” van zichzelf en het andere.

Een octopus heeft hier aparte ervaringen: zijn armen ervaart hij als een stuk van zichzelf dat vanuit een centraal brein kan gestuurd worden, maar ook als niet-zichzelf waarbij de arm zelf in actie komt los van het centrale brein.

Het samenspel van die acht armen doet de auteur denken aan een jamsessie van een jazz-groep, het eindresultaat is er niet gekomen door een uitgeschreven partituur zoals de zoveelste van Beethoven, maar is een product van voortdurend geven en nemen, een voortdurende wisselwerking. Dit idee doet me denken aan een boek van Barret [4]: “Yes tot the mess.”

Kan je je nu voorstellen dat Manu Claeys het octopusmodel als metafoor zet voor democratie, anders denken over het samenspel tussen verschillende poten, mekaar aanvoelend en mekaar sturend, met vooral veel eigenheid, zoals partners die ieder op een eigen manier samenwerken aan één doel: zorgen dat het straks beter is dan nu …

Voor de liefhebber van het verhaal van de evolutie is dit boek een aanrader. Het gaat veel verder dan deze summiere impressie. Specialisten zullen mijn impressie een enorme verarming van de rijkdom van het boek vinden. Ik was deels geboeid door de grote lijnen in het evolutie verhaal, het leerde me dingen begrijpen; maar ik was nog meer geboeid om vanuit dit boek op een andere manier te kijken naar andere wezens en vooral naar de acht poten van een zeer ingenieus systeem gericht op een betere toekomst.

Literatuur

1.            Claeys, M., Red de democratie!: waarom het systeem hapert en wat we eraan kunnen doen. 2018, Kalmthout: Polis.
2.            Godfrey-Smith, P., Other minds: The octopus, the sea, and the deep origins of consciousness. 2017, London: William Collins.
3.            Thompson, H., This thing of darkness. 2005, London: Headline Review.
4.            Barret, F.J., Yes to the mess: Surprising leadership lessons from jazz. 2012: Harvard Business Review Press.

delen mag

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *