In dit verhaal

In dit verhaal
speelt niemand de hoofdrol
maar vullen mensen
en bomen elkander aan

want zonder bomen
is ademloosheid voor de mensen
bomen snakken
naar mensenhanden
die hen strelen en waarderen

ook vogels horen in
deze ruimte thuis
zij beitelen met hun snavel
een ongezongen lied
in de boomschors

de mens slaat vol bewondering
het hele gebeuren gade
en drinkt leven uit de milde gaven
van de natuur

een gedicht van Edith Oeyen – (gelezen op een Goei Wei in Houthalen – januari 2016)

 

Op een koude winteravond, na de confronterende nieuwsberichten belanden op een goei wei, zo maar. En dan nog even een lamp bijdraaien voor meer licht. Daar tussen het groen en de tekeningen een gedicht lezen. Even stil worden. Op dat ene moment, de essentie ervaren: het verhaal van verwondering voor de generatieve kracht van de gaven uit de natuur, de verbondenheid. Het is even als een sacraal moment dat je wil vastgrijpen, maar tegelijkertijd voel je dat je het niet mag vastgrijpen, maar moet openen naar de wereld.

De burn-out van de maatschappij

Een verwrongen relatie met de leefomgeving ligt aan de oorsprong van een aantal tektonische spanningsvelden als ondergrondse bedreigingen voor onze samenleving (Homer-Dixon, 2006). Dagelijks brengen nieuwsmedia deze dreigingen als harde realiteit bij ons binnen. De vluchtelingenstroom eindigt de jongste maanden in onze achtertuin. Een stijgende energiekost, een nakende piekolie en een mogelijke black-out zijn de gespreksonderwerpen aan de ontbijttafel. Op sociale media getuigen we met de beklijvende foto’s wat onze levenswijze aanricht met het milieu. Enorme bosbranden, levensbedreigende overstromingen en ongeziene orkanen zijn tekenen van een ingrijpende klimaatverandering. Ook onze handel op basis van de klassieke economische en monetaire modellen staat onder sterke druk. Kortom, onze lang-voor-absoluut-aangenomen waarheden kloppen niet meer. Lente- en andere burgeropstanden uit het verleden, de bloeiende samenlevingsbeelden waarvan we dromen en de opgebouwde welvaart lijken te verdwijnen onder een tsunami van geweld met water, vuur en kogels. We voelen ons niet goed met de bestendige onzekerheid over wat morgen zal zijn. Ons wereld- en ons samenlevingsmodel gaan als het ware door een burn-out met het gevoel van machteloosheid, gekende stemmingswisselingen en stuur- en doelloos om zich heen slaan. Blijkbaar was het 40 jaar geleden al niet anders: “As a result, our organizations live in economic, political, and technological environments which are predictable unstable” (Argyris & Schön, 1978). De focus lag toen echter op onze organisaties, nu op de hele samenleving. Is een apocalyptische neergang niet meer te keren?

Naast dit doemscenario horen we ook andere verhalen. We lezen over lokale initiatieven in onze leefomgevingen en organisaties, succesvolle transitie initiatieven en veranderingstrajecten, geslaagde burgerinitiatieven met deeleconomie en ruilhandel, bottom-up veranderingsbewegingen en alternatieve maatschappelijke projecten (G. Bouwen, 2010; Cooperrider, Whitney, & Stavros, 2005; Eggermont, 2015; Hens, 2015; McDonough & Braungart, 2013; Verleysen, Lambrechts, & Van Acker, 2014). “Er borrelt wat in de onderbuik van de samenleving … het gonst van verrassende ideeën en van structurele oplossingen” (Eggermont, 2015, p. 123). Zijn dit tekenen van de catagenese, de klim naar een nieuwe toekomst, de samenleving 2.0 (Homer-Dixon, 2006)?

Onze samenleving is duidelijk op een kantelpunt: “Heel Europa staat voor de noodzakelijke omslag naar een nieuw samenlevingsmodel” (Holslag, 2015, p. 110). Hierbij is het grote besef: Wij zijn het kantelpunt. De mens is een toekomstzoeker (E. O. Wilson in McDonough & Braungart, 2013). We hoeven de verandering niet te ondergaan! Op een godvergeten eiland ondergaat Robinson Crusoe zijn lot ook niet, maar kiest voor een toekomst zodat er niet alleen met Vrijdag maar op alle dagen leven zal zijn. De samenleving 2.0 genereren wij op basis van één spelregel: “Dat doen waar we zelf beter van worden, waar we zoveel mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen voor een zo lang mogelijke tijd mee scheppen” (Holslag, 2015, p. 110). Dat is de uitdaging! Welke hefbomen hebben wij voorhanden om vandaag deze toekomst op te starten?

De sluitsteen voor die samenleving 2.0 is een radicale shift in het kijken naar de wereld (Cooperrider & Godwin, 2012). Wij hebben behoefte aan de blik van Michelangelo zoals op het moment dat er een blok marmer in zijn werkplaats stond. Een ruwe blok marmer. Michelangelo zag geen ruwe blok, hij zag David. Hij moest het beeld enkel zichtbaar maken, wat hij met passie deed vanaf zijn eerste beitelslag (Cooperrider, 2008).

Een wetenschappelijke blik op de wereld

Het dominante model om te kijken naar onze leefwereld is de wetenschappelijke insteek. Het summum hiervan zijn de wiskunde en de bijbehorende logica. “Scientific theories are different from theological, philosophical or other explanations in that scientific theories can be empirically tested using scientific methods” (Bhattacherjee, 2012, p. 25). Het wetenschappelijke denkpatroon start met de opdeling van onze leefomgeving in “facts” en “non-facts”. Facts zijn als naakte feiten, als de keiharde en observeerbare werkelijkheid. Het zijn de enige objecten die we wetenschappelijk kunnen onderzoeken. Op basis van die facts en hun onderlinge relaties leveren onderzoekers rekken vol met bewezen modellen en beargumenteerde verklaringen, verduidelijkt met evidente tabellen en inzichtelijke diagrammen. Wetenschappelijk verantwoorde methodieken zorgen ervoor dat deze modellen correct zijn en statistisch bijna alle toevalligheden uitsluiten. Dit laat ons toe alle bewegingen in het heelal te verklaren, weermodellen te creëren en economische groeimodellen te ontwerpen. Hierdoor begrijpen we de wereld. We verklaren alles wat er gebeurt en we denken in staat te zijn om de toekomst te voorspellen, te beheersen en zelfs te managen.

Dezelfde succesvolle en dominante wetenschappelijke methodieken gebruiken wij ook om onze sociaal-maatschappelijke context te onderzoeken. Wij delen de sociaal-maatschappelijke wereld op in facts en non-facts, waarbij enkel de facts belangrijk zijn. De training en opleiding in menswetenschappelijke richtingen zijn gekenmerkt door deze pure wetenschappelijke insteek: training in een systematische observatie van facts en de onderlinge voorspelbare relatie tussen de objecten (Gergen, 1978). Vanuit deze traditie leveren sociaal-maatschappelijke wetenschappers eveneens bewezen modellen waarmee we het doen en laten van de maatschappij, van mensen en organisaties verklaren, voorspellen, beheersen en managen. Hierdoor zijn we rotsvast overtuigd dat het onderzoek van de sociaal-maatschappelijke context gebeurt op een wetenschappelijk verantwoorde en correcte manier. Net als in andere wetenschappen krijgen de ontwikkelde organisatie- en maatschappijmodellen bestaanszekerheid op zichzelf en dienen ze als onweerlegbare basis voor aanbevelingen en beleidsbeslissingen.

Er is echter een fundamenteel verschil tussen Copernicus die naar de sterren kijkt en Michelangelo die met een beitel David genereert. Copernicus en alle andere wetenschappers zijn onderzoekers die een onderzoeksobject bestuderen. Michelangelo is een actor die een beeld genereert. Klassieke wetenschappers onderzoeken de wetmatigheid van oorzaak en gevolg als verklaring voor het heden. Michelangelo ziet in de wereld van vandaag de mogelijkheden van de toekomst en is gepassioneerd om die toekomst vandaag al te realiseren. Michelangelo is niet de afstandelijke onderzoeker van een ruw blok steen, hij is een betrokken actor midden in het verhaal, hij is deelgenoot en creator van de nieuwe wereld. Net als Michelangelo hebben sociaal-maatschappelijke wetenschappers een uitdaging die verder gaat dan het wetenschappelijk verklaren van het heden: Hoe genereren wij een bloeiende toekomst? Voorbij de naakte feiten, voorbij de vanzelfsprekendheid van de vertrouwde leefwereld, voorbij modellen op basis van oorzaak en gevolg, kunnen sociaal onderzoekers hefbomen aanreiken voor die alternatieve toekomst (Gergen, 1978). Geïnspireerd door de aanwezige toekomstsignalen kunnen we de maatschappij 2.0 genereren, omdat een mens niet alleen overleeft, maar vooral floreert (McDonough & Braungart, 2013). En hierbij geldt: “What exists is possible” (Kenneth Boulding in McDonough & Braungart, 2013).

Een generatieve blik op de wereld

Sociaal-maatschappelijke onderzoekers hebben behoefte aan een denkkader dat voorbij gaat aan het rekenkundige 1 + 1 = 2. Klassieke rekenkundige modellen zijn gebouwd op lineaire denkpatronen met oorzaken en gevolgen als vast scenario. Met statistische technieken onderzoeken wetenschappers de gemiddelden uit het verleden om het gemiddelde van vandaag te verklaren. Deze modellen zijn de basis voor een wetenschappelijk exact en verantwoord toekomstbeeld. Een gemiddeld toekomstbeeld. Wetenschappers hebben geen boodschap aan outliers die zich opmerkelijk buiten het gemiddelde bevinden. Wetenschappers hebben behoefte aan een verklarend model, waarbij outliers gelden als vergissingen of statistische toevalligheden (Field, 2005). Doorgaans volgen beleidsmakers deze wetenschappelijke modellen om het maatschappelijk kader vorm te geven. Het beleid is zo verstrengeld in een denkkader, waarin het status-quo van vandaag de maatstaf is voor de toekomst van morgen. Dergelijke aanpak is gebaseerd op gemiddelden uit een verleden en resulteert in een toekomstbeeld van gemiddelden. Echter, op het kantelmoment van vandaag ervaart de samenleving een overvloed aan miskende outliers aan beide zijden van het momentum. Outliers zijn niet de storende factoren in het maatschappelijk gebeuren. Outliers zijn signalen voor een andere realiteit, mogelijk met opportuniteiten voor groei en ontwikkeling (Han, Han, & Brass, 2014; Lambrechts et al., 2008). Sociaal-maatschappelijke onderzoekers kunnen het verschil maken door die outliers niet langer te negeren maar naar waarde te schatten, voorbij het status-quo en richting beter dan het gemiddelde.

Deze noodzakelijke mindshift kan maar gebeuren vanuit een andere invalshoek, weg van de opdeling van de wereld in facts en non-facts en weg van een denken in oorzaak en gevolg. Niet meer met een telescoop of microscoop kijken naar objecten rondom ons, maar onszelf ervaren als deelgenoot van die wereld, als object en subject tegelijkertijd. Tegelijkertijd onderzoeker en onderzochte zijn. Bovendien, als onderzoeker en als onderzochte ook actor zijn (R. Bouwen, 2010). Je blik beroert jouw context en die van de anderen. Waar je naar kijkt komt op de voorgrond en krijgt een waarde voor je; al de rest, hoewel blijvend aanwezig, vervaagt. De voortdurende wisselwerking van onderzoeker en onderzochte is als een tango waarin partners nieuwe dingen genereren waar anderen van genieten. In een voortdurend wisselende onderzoekshouding ontwikkelen onderzoeker en onderzochte samen de verandering die men wenst (Barrett & Fry, 2005). Het is de waarderende blik: niet de ruwe steen zien, het is David zien. Het is de machtige eik zien in die kleine eikel (Thatchenkery & Metzker, 2006). Die nieuwe blik op de wereld noemen we “Appreciative Intelligence”: de kunst om met waardering in de oude vertrouwde en vanzelfsprekende wereld een oog en een hart hebben voor nieuwe mogelijkheden (Thatchenkery & Metzker, 2006). Het is niet een blik die gebaseerd op statistische kansberekening (“probabilities”), maar een inzicht met een oog en een hart voor nieuwe mogelijkheden en opportuniteiten (“possibilities”). De wereld bestaat niet langer uit facts, onderscheiden van non-facts, waarbij oorzaak en gevolg het trajectverloop vastleggen. De wereld is nu een conglomeraat van nieuwe mogelijkheden waarin de co-creatie van een bloeiende toekomst opborrelt (Bushe, 2013; Lambrechts, Martens, & Grieten, 2008; Verleysen et al., 2014).

De leefcontext beleven in al zijn potentialiteit ontstaat in de relativering van de eigen kennis en wijsheid. Afstand nemen van het eigen vertrouwde en voor evident aangenomen denkkader. Met kinderlijke verwondering kijken naar de dingen en mensen (Cooperrider, 1996). Open staan voor een blik voorbij de grens van je eigen vertrouwde ervaringen en zekerheden. De revolterende democratiseringsboodschap van mei 1968 klinkt nog: er is niet iets met een absoluut bestaansrecht waaraan al de rest wordt afgemeten; er is niet iets als een absolute waarheid als maatstaf om alle andere uitspraken te evalueren. Deze noodzakelijke relativering ontstaat op het kruispunt van wisselende en gedeelde perspectieven van deelgenoten in de sociaal-maatschappelijke context.

De enige werkelijkheid die er is en die er toe doet, creëren we samen (Gergen & Gergen, 2004). In dit proces speelt de kwaliteit van de relatie een belangrijke rol (R. Bouwen, 2010). Kwaliteitsvolle relaties bloeien doorheen de co-creatie van leerpraktijken, lerende netwerken waarin een onderlinge uitwisseling kiemkracht genereert voor ontwikkeling en groei (G. Bouwen, 2010; Bushe, 2010; Lambrechts et al., 2008; Wenger, 2000). Samen onderzoekend in kwaliteitsvolle relaties vormt het begin van een nieuwe leefcontext met openheid voor een toekomst. Het is zoals een brug maken terwijl je erover loopt. Hierbij is kennis, expertise en ervaring niet als het pakket dat iemand in eigendom heeft en al dan niet doorgeeft. Kennis genereren is een tango met twee, een relationeel gebeuren (Cook & Brown, 1999; Gergen, 2011). Kennis zit niet “tussen de oren, maar tussen de neuzen” (R. Bouwen, 2010).

Waarderende verbinding als generatieve kracht

De kennisontwikkeling, nodig om over het kantelpunt heen de diepgaande maatschappelijke verandering in gang te zetten is geen kennis die teruggrijpt naar de vraag “Wat is de oorzaak?” of “Wie heeft het fout gedaan?”. De transitie naar een toekomst met overvloed aan leven begint met vragen zoals: “Waarvan in onze leefomgeving willen we meer? Welk toekomstbeeld van onze samenleving verlangen we?” en “Wat kunnen we hier samen mogelijk maken?”

Dit onderzoek ontwikkelt zich midden in het sociaal-maatschappelijk gebeuren van elke dag. De noodzakelijke kennis hierover komt vanuit de mensen die er deel van uitmaken. Zij zijn de experts inzake de eigen samenleving, de wereld die ze verlangen en de opportuniteiten die aanwezig zijn. De vraagstelling naar de eigen dromen en verlangens, de dromen voor hun kinderen en kleinkinderen brengt niet alleen de weten-schap boven water maar genereert de energie om vandaag die transitie te maken. Het vuur in de ogen als mensen vertellen over hun hoop en droom voor een toekomst is besmettelijk en werkt aanstekelijk. Dat kleine vuur heeft behoefte aan zuurstof om de maatschappelijke verandering in vuur en vlam te zetten (G. Bouwen, 2010; Bouwen & Meeus, 2011).

Dergelijke maatschappelijke verandering ontstaat in een dubbele onderzoeksbeweging: tracking of het zoeken van sporen van meer leven en welzijn en vervolgens fanning of die beginnende kleine vonk van meer leven en welzijn aanwakkeren (Bushe, 2010). Tracking en fanning versterken de verbinding met anderen in het gezamenlijk onderzoek van wat waardevol in de eigen leefwereld. Hierbij groeit een sterke spiraal van verbindend waarderen als bron van een groeiende energie naar samen #bloeiendtoekomst maken.

De kanteling

Neen, de uitvinding van het wiel is niet de oorzaak is van ons fileleed van vandaag. Onze maatschappij hoeft niet terug de geitenwollen sokken aan te trekken en met de stootkar naar het veld te gaan. Maar vanuit een gezamenlijk onderzoek kunnen we samen hefbomen ontwikkelen om het keerpunt te realiseren. Het gebeurt vandaag al: een enorme creatieve geest is aan de slag in het denken en doen van burgers. Sporen in de tussenlagen van het maatschappelijk middenveld zijn signalen dat het kan (Eggermont, 2015). Lokale gemeenschappen transformeren diepgaand. Co-housing, community- en stadsboerderijen zijn nieuwe samenlevingsvormen. Verder verschijnen er diverse burgerbewegingen, los van de klassieke organisatieculturen zoals Hart boven Hard, klimaatexpress, vrijdag zonder vlees, Eva en vele andere lokale initiatieven. Het vrijwilligerswerk krijgt meer en meer aandacht bij de burgerbevolking. De economie krijgt een andere gedaante door de creatie van nieuwe samenwerkingsvormen zoals crowdfunding, coöperatieve ondernemingen, repaircafé’s, weggeefwinkels, autodelen en andere niet op winst gerichte activiteiten. Stilaan maar zeker groeit er een maatschappelijk draagvlak voor een basisinkomen. Meer dan eens horen we de vraag om welvaart en vooruitgang te meten op een andere manier dan op basis van het BNP.

Deze lokale veranderingen geven uiting aan het verlangen van mensen om globaal sustainable te blijven, vooral vanuit het besef dat er geen alternatief is voor onze planeet. Burgers willen vandaag meer dan ooit weten wat ze eten, vanwaar het komt en wie het verbouwd heeft in welke omstandigheden. Zo ook met kledij en andere verbruiksgoederen. Als het gaat over geldzaken willen burgers weten wat hun bank doet met het geld en waar geïnvesteerd wordt met hun spaarcenten.

Mensen zoeken in alle facetten van hun dagelijks bestaan de verbinding te maken tussen dingen die zij waardevol vinden, wat belangrijk is voor de natuur en wat noodzakelijk is voor het ondernemerschap. Op dit kruispunt werken burgers aan een andere toekomst. Als de politiek het laat afweten om de verbinding van deze belangen te realiseren en er een boeltje dreigt van te maken, dan starten burgers zelf initiatieven zoals ringland en de klimaatzaak. De burger gaat ervoor, omdat het de moeite waard is en eigenlijk gewoonweg levensnoodzakelijk.

Hoe zou de samenleving eruit zien als overal in Vlaanderen en Europa mensen lokaal die verbinding maken vanuit de zorg voor een toekomstvisie, een visie op mens en maatschappij? De zorg voor de stad, politiek, kan dan een nieuwe dimensie krijgen. Weg van het wantrouwen en afkeer kan politiek een uitnodiging aan burgers zijn om mee initiatief te nemen in de zorg voor de stad. Samen bouwen aan een partnership waarbij iedereen zich betrokken voelt op het gedeeld belang: een waardevolle toekomst voor de mens dankzij een respectvolle relatie met een leefomgeving die niet oneindig is, maar de kans moet krijgen om mee te groeien.

Literatuurlijst

Argyris, C., & Schön, D. A. (1978). Organizational learning: A theory of action perspective. Reading, Massachusetts: Addison-Wesley Publishing Compagny.

Barrett, F. J., & Fry, R. E. (2005). Appreciative Inquiry; a positive approach to building cooperative capacity. Ohio: Taos Institute Publications.

Bouwen, G. (2010). Leiden naar talent en bezieling. Energie van mensen verbinden tot teamkracht. Leuven: LannooCampus.

Bouwen, G., & Meeus, M. (2011). Vuurwerkt. Met talent toekomst maken. Leuven: Lannoocampus.

Bouwen, R. (2010). Relational practices for generative communal organizing: From geel to equador. In C. Steyaert & B. Van Looy (Eds.), Relational practices, participative organizing (pp. 21-40). Bingley: Emerald Group Publishing Limited.

Bushe, G. R. (2010). Clear leadership: Sustaining real collaboration and partnership at work. Boston: Davies-Black.

Bushe, G. R. (2013). Generative process, generative outcome: The transformational potential of Appreciative Inquiry. In D. L. Cooperrider, D. P. Zandee, L. Godwin, M. Avital, & B. Boland (Eds.), Organizational generativity: The appreciative inquiry summit and a scholarshop of transformation (Vol. 4, pp. 89-122). Bingley, UK: Emerald Press.

Cook, S. D. N., & Brown, J. S. (1999). Bridging epistemologies: The generative dance between organizational knowledge and organizational knowing. Organization Science, 10(4), 381-400.

Cooperrider, D. L. (1996). The child as agent of inquiry. OD Practitioner.

Cooperrider, D. L. (2008). The 3-circles of strengthsrevolution. AI practitioner.

Cooperrider, D. L., & Godwin, L. (2012). Positive organization development: Innovation-inspired change in an economy and ecology of strengths. In K. Cameron & G. Spreitzer (Eds.), The oxford handbook of positive organizational scholarship (pp. 737 - 750). New York: Oxford University Press.

Cooperrider, D. L., Whitney, D., & Stavros, J. M. (2005). Appreciative inquiry handbook. The first in a series of ai workbooks for leaders of change. Brunswick: Crown Custom Publishing.

Eggermont, N. (2015). Climate express. Sporen van verandering. Berchem: Eppo.

Field, A. (2005). Discovering statistics using spss. London: Sage Publications Ltd.

Gergen, K. J. (1978). Toward generative theory. Journal of Personality and Social Psychology, 36(11), 1344-1360.

Gergen, K. J. (2011). Relational being: A brief introduction. Journal of Constructivist Psychology, 24(4), 280-282.

Gergen, K. J., & Gergen, M. (2004). Social construction. Entering the dialogue. Chagrin Falls, Ohio: Taos Institute Publications.

Hens, T. (2015). Het kleine verzet. Berchem: Epo vzw.

Holslag, J. (2015). Vlaanderen 2055. Amsterdam, Antwerpen: De Bezig Bij.

Homer-Dixon, T. (2006). Ten onder te boven. Catastrofe, creativiteit en de vernieuwing van de beschaving. Utrecht: Uitgeverij Jan van Arkel.

Lambrechts, F., Martens, H., & Grieten, S. (2008). Building high quality relationships during organizational change. Transcending differences in a generative learning process. The international journal of diversity in organisations, communities & nations, 8(3).

McDonough, W., & Braungart, M. (2013). The upcycle, beyond sustainability - designing for abundance. New Yok: North Point Press.

Thatchenkery, T., & Metzker, C. (2006). Appreciative intelligence. Seeing the mighty oak in the acorn. San Francisco: Berrett-Koehler Publishers, Inc.

Verleysen, B., Lambrechts, F., & Van Acker, F. (2014). Building psychological capital with Appreciative Inquiry: Investigating the mediating role of basic psychological need satisfaction. The Journal of Applied Behavioral Science.

Wenger, E. (2000). Communities of practice and social learning systems. Organization, 7(2), 225-246.